Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2015-12-02
ECLI:NL:RBAMS:2015:8881
Bestuursrecht
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 14/7176 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2015 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] (Turkije), eiser (gemachtigde: mr. N. Türkkol), en de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: A.P. Prinsen). Bij besluit van 1 augustus 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om zijn toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) op zijn uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) te mogen exporteren, afgewezen. Bij besluit van 21 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2015. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen om kenbaar te maken of het arrest Demirci e.a. van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2015 (zaak C-171/13) consequenties heeft voor het onderhavige bestreden besluit. Bij brief van 10 april 2015 heeft verweerder gereageerd. Bij brief van 28 april 2015 heeft eiser op de reactie van verweerder gereageerd. Partijen hebben toestemming gegeven om de zaak zonder zitting af te doen. De rechtbank heeft hierop op 3 september 2015 het onderzoek op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesloten. De rechtbank - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - herroept het primaire besluit van 1 augustus 2014 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit; - bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 980,- te betalen aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M.M. Schenk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2015. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. 1. Verweerder heeft met ingang van 30 augustus 2010 aan eiser een WIA-uitkering toegekend in het kader van de regeling Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) alsmede een toeslag ingevolge de TW. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is per 8 augustus 2014 geremigreerd naar Turkije. Op 25 juli 2014 heeft eiser verweerder verzocht om zijn toeslag op zijn WIA-uitkering per 8 augustus 2014 te mogen exporteren. 2. Bij het primaire besluit is de aanvraag van eiser afgewezen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. 3. In artikel 4a, eerste lid, van de TW is bepaald dat geen recht op toeslag heeft de persoon, bedoeld in artikel 2, gedurende de periode dat hij niet in Nederland woont. 4. In artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80 van de Associatieraad van 19 september 1980, betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen van de Lid-Staten der Europese Gemeenschappen op Turkse werknemers en hun gezinsleden (Pb. 1983, C 110, blz. 60, hierna: Besluit 3/80) is bepaald dat, tenzij in dit besluit anders is bepaald, de uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen alsmede de renten bij arbeidsongevallen en beroepsziekten, verkregen op grond van een wettelijke regeling van een of meer lidstaten, op generlei wijze kunnen worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurdverklaard op grond van het feit dat de rechthebbende in Turkije woont of op het grondgebied van een andere lidstaat dan die, op het grondgebied waarvan zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is. 5. In artikel 59 van het Aanvullend Protocol (het Aanvullend Protocol) bij de Overeenkomst van 12 september 1963 waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Pb. 1964, 217, blz. 3685, hierna: Associatieovereenkomst) is bepaald dat op de onder dit protocol vallende gebieden, de behandeling van Turkije niet gunstiger mag zijn dan die welke de lidstaten elkaar toekennen krachtens het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap. 6. Op 23 januari 2004 is de Richtlijn 2003/109/EG betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (hierna: de Richtlijn) van 25 november 2003 (Pb. 2004, L 16, blz. 44-53) in werking getreden. Daarin is bepaald dat de Europese Unie een Europese status van langdurig ingezetene toekent aan onderdanen van derde landen die legaal en gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar op het grondgebied van een EU-land hebben verbleven. De richtlijn stemt de nationale wetgevingen en praktijken op het gebied van de toekenning van die status op elkaar af en stelt ook de voorwaarden vast voor verblijf in andere EU-landen dan het land dat de status van langdurig ingezetene heeft toegekend. In artikel 14, eerste lid, van de Richtlijn is bepaald dat een langdurig ingezetene het recht krijgt om gedurende een periode van meer dan drie maanden te verblijven in een andere lidstaat dan die welke hem de status van langdurig ingezetene heeft toegekend, indien wordt voldaan aan de in de Richtlijn gestelde voorwaarden. 7. De Richtlijn is geïmplementeerd in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). In artikel 45a, tweede lid, van de Vw is bepaald dat de status van langdurig ingezetene permanent is. In artikel 45d, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw is bepaald dat de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen kan worden ingetrokken indien de vreemdeling een aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer buiten het grondgebied van de Europese Unie, dan wel zes jaar of langer buiten Nederland heeft verbleven. 8. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser onder de personele werkingssfeer van Besluit 3/80 valt en dat artikel 6 van Besluit 3/80 rechtstreeks van toepassing is. Partijen zijn echter verdeeld over de uitleg van artikel 59 van het Aanvullend Protocol. 9. Eiser heeft aangevoerd dat zijn situatie vergelijkbaar is met die van Akdas in het arrest van het Hof van Justitie van de EU (het Hof) van 26 mei 2011 (Akdas e.a. C-485/07, hierna: arrest Akdas). Volgens eiser kan zijn verblijfsrecht voor de toepassing van artikel 59 van het Aanvullend Protocol niet nuttig worden vergeleken met die van burgers van de Unie. 10. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser – in tegenstelling tot Akdas e.a. – naar Turkije is verhuisd na inwerkingtreding van de Richtlijn. Eiser heeft een verblijfsrecht voor onbepaalde tijd dat mede steunt op de Richtlijn (langdurig ingezetene). Dit verblijfsrecht kan niet verloren gaan door arbeidsongeschiktheid. Aangezien eiser vanwege zijn arbeidsongeschiktheid het land niet hoefde te verlaten – zijn verblijfsrecht steunt immers mede op het Unierecht – is zijn situatie wel nuttig te vergelijken met die van burgers van de Unie. Volgens verweerder wordt daarom wel toegekomen aan toepassing van artikel 59 van het Aanvullend Protocol. 11. De rechtbank overweegt als volgt. 12. Het Hof heeft in het arrest Akdas, onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak (onder andere het arrest van 6 juni 1995 inzake Bozkurt, C-434/93) overwogen dat een Turkse staatsburger die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat heeft behoord in de zin van artikel 6 van Besluit 1/80, aan dit besluit geen recht van voortgezet verblijf op het grondgebied van die staat kan ontlenen, nadat hij door een arbeidsongeval blijvend arbeidsongeschikt is geworden en dus voorgoed de arbeidsmarkt heeft verlaten. In die omstandigheden kan niet met succes worden betoogd dat betrokkenen het grondgebied van Nederland op eigen initiatief en zonder gegronde reden hebben verlaten en dat een dergelijk gedrag leidde tot het verlies van de krachtens de associatie EEG-Turkije verworven rechten. Bijgevolg komt het Hof tot het oordeel dat de situatie van betrokkenen, voor zover zij naar Turkije zijn teruggekeerd nadat zij het recht om in Nederland te verblijven hadden verloren omdat zij er arbeidsongeschikt waren geworden, voor de toepassing van artikel 59 van het Aanvullend Protocol niet nuttig kan worden vergeleken met de situatie van onderdanen van de Unie. Deze laatsten mogen immers vrij reizen en verblijven op het grondgebied van de lidstaten en behouden zo het recht om te blijven wonen in de lidstaat waarin de betrokken prestatie is toegekend, zodat onderdanen van de Unie enerzijds mogen beslissen het grondgebied van die staat te verlaten waardoor zij deze uitkering verliezen en anderzijds steeds naar de betrokken lidstaat mogen terugkeren. 13. De Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft in de uitspraak van 11 november 2011 inzake Akdas e.a. (ECLI:NL:CRVB:2011:BU3180) overwogen dat, nu het verblijfsrecht van Turkse onderdanen rechtstreeks voortvloeit uit het associatierecht en het Hof dit verblijfsrecht bepalend heeft geacht in deze geschillen, hij niet toekomt aan een beoordeling van de vraag of op grond van nationaal recht wellicht nog sprake was van een verblijfsrecht. Ook komt de Raad niet toe aan een beoordeling van de zaken in het licht van de door het UWV genoemde richtlijnen 2003/109 en 2004/38, aangezien betrokkenen voor de datum van inwerkingtreding van Richtlijn 2003/109 naar Turkije zijn teruggekeerd. 14. De rechtbank stelt vast dat eiser de Turkse en niet tevens de Nederlandse nationaliteit heeft. Dat betekent dat eiser niet op één lijn te stellen is met de personen die naast de Turkse ook de nationaliteit van een lidstaat van de Unie hebben, zoals in het arrest van het Hof van 14 januari 2015 inzake Demirci e.a. (C-171/13). Dit arrest is daarom niet onverkort van toepassing op de situatie van eiser. Nu eiser alleen de Turkse nationaliteit heeft en volledig arbeidsongeschikt is, verkeert hij in zoverre in dezelfde situatie als de personen op wie het arrest Akdas betrekking heeft, hetgeen betekent dat eiser in beginsel recht houdt op de toeslag bij remigratie naar Turkije. 15. Gelet op de genoemde overeenkomsten tussen eisers geval en de in het arrest Akdas e.a.