Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2016-10-06
ECLI:NL:RBAMS:2016:6719
Strafrecht
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/751551-15 RK nummer: 16/981 Datum uitspraak: 6 oktober 2016 TUSSENUITSPRAAK op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 10 februari 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 21 januari 2016 door the Office of the Prosecutor of the Republic of Lecce (Italië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, verblijvend op het adres [adres] , [woonplaats] , hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1Procesgang Zitting 22 maart 2016 De vordering is behandeld op de openbare zitting van 22 maart 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. A. Oswald. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. B.R. Koenders, advocaat te Amsterdam. De rechtbank heeft de behandeling van de vordering voor onbepaalde tijd aangehouden teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het dossier aan te vullen met de antwoorden van de Italiaanse autoriteiten op vragen, die door het IRC voorafgaande aan de zitting al waren gesteld. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er vanwege het verloop van het onderzoek niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen. Zitting 3 mei 2016 De behandeling van de vordering is hervat op de openbare zitting van 3 mei 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. B.R. Koenders, advocaat te Amsterdam. Het onderzoek ter zitting is wederom aangehouden teneinde de officier van justitie en de rechtbank in de gelegenheid te stellen de door de raadsman overgelegde stukken te bestuderen met het oog op de behandeling ter zitting. Zitting 22 september 2016 De behandeling van de vordering is hervat op de openbare zitting van 22 september 2016. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. B.R. Koenders, advocaat te Amsterdam. De rechtbank heeft de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, van de OLW voor onbepaalde tijd verlengd. 2Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3Grondslag en inhoud van het EAB In het EAB wordt melding gemaakt van een verstekvonnis van 16 december 1999 van the Court of Lecce 1st Criminal Division, met kenmerk: 754/99. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 12 jaar. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. 4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW: heropening van het onderzoek De raadsman heeft bepleit dat de garantie als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder d, OLW niet genoegzaam is en de overlevering daarom moet worden geweigerd. Op grond van de letterlijke uitleg van artikel 12, aanhef en onder d, OLW zou aan de garantie zijn voldaan als de mogelijkheid bestaat om een verzoek tot een nieuw proces in te dienen, ongeacht of dat verzoek tot een nieuw proces leidt of niet. Gelet op de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaken Colozza (NJ 1986, 685) en Sejdovic (NJ 2006, 661) heeft Italië gedurende geruime tijd zijn garanties omtrent de verstekvonnissen niet op orde gehad. De onderhavige zaak stamt ook uit die periode. Italië heeft getracht de regeling voor verstekvonnissen beter te organiseren, maar is hier naar de mening van de verdediging niet in geslaagd. De vraag is aan de orde of de opgeëiste persoon, als hij wordt overgeleverd, een volwaardige beroepsprocedure kan doorlopen, waarin hij een ‘nieuwe’ behandeling krijgt met daarbij een ‘fresh determination’ met de daadwerkelijke mogelijkheid om bewijs in te brengen. De nieuwe regeling met betrekking tot hoger beroep en de verzetgaranties, is door de Italiaanse Hoge Raad juist niet van toepassing verklaard op oudere zaken zoals de onderhavige. De Italiaanse Hoge Raad heeft met een strikte toepassing van het legaliteitsbeginsel beslist dat: “Bij de processen bij verstek, behandeld volgens de regelgeving voorafgaand aan het van kracht worden van wet 28 april 2014, nr. 67, blijft de regeling van toepassing van verlenging van de termijn om beroep aan te tekenen, voorgeschreven in artikel 175, alinea 2, Italiaanse wetboek van strafvordering in de voorheen geldende tekst.” De oude regeling blijft van toepassing op verstekprocedures die zijn gevoerd voorafgaand aan de inwerkingtreding van de nieuwe wet. Deze beslissing houdt derhalve in dat nog steeds geen zekerheid kan worden verkregen over een hernieuwde en volledige behandeling, inclusief het inbrengen van bewijs van de zijde van de verdediging. Er bestaat aldus twijfel over de zekerheid van de beroepsgaranties die Italië afgeeft in overleveringszaken en specifiek in het onderhavige geval. Gelet op het standpunt van de Italiaanse Hoge Raad kan nimmer zekerheid worden verkregen over de te stellen garanties over de omvang van het hoger beroep, aangezien een eventuele brief of toezegging van een uitvaardigende instantie niet voldoende gewicht in de schaal legt ten opzichte van het legaliteits-standpunt van de Italiaanse Hoge Raad. Bij gebreke van de zekerheid omtrent de genoegzaamheid van de verzetgarantie en de vraag of er een daadwerkelijke ‘fresh determination’ met de mogelijkheid om bewijs in te brengen zal plaatsvinden, dient de overlevering op grond van artikel 12 OLW te worden geweigerd. De officier van justitie heeft, kort gezegd, gemotiveerd geconcludeerd tot verwerping van het verweer. De verstrekte verzetgarantie is genoegzaam, aldus de officier van justitie. De rechtbank is na beraad in raadkamer van oordeel dat het onderzoek niet volledig is geweest en overweegt hieromtrent als volgt. De opgeëiste persoon is bij vonnis van 16 december 1999 veroordeeld, welk vonnis op 8 mei 2000 ‘final’ zou zijn geworden. De rechtbank stelt vast dat zij gelet hierop, op hetgeen de raadsman heeft aangevoerd en op de beschikbare stukken in het dossier, onvoldoende duidelijkheid heeft over de verstrekte verzetgarantie. De rechtbank zal derhalve het onderzoek heropenen voor het stellen van de volgende vragen aan de Italiaanse justitiële autoriteit. 1. HEROPENT EN SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd in afwachting van antwoorden op de hiervoor omschreven aan de Italiaanse uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen vragen; VERZOEKT de officier van justitie om de hiervoor vermelde vragen te stellen aan de Italiaanse uitvaardigende justitiële autoriteit; BEVEELT dat het onderzoek zal worden hervat op een nog nader te bepalen zitting; BEVEELT de oproeping van opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen dag en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman. Aldus gedaan door mr. H.P. Kijlstra, voorzitter, mrs. A.K. Glerum en H.E. Spruit, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 oktober 2016. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.