Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2019-12-10
ECLI:NL:RBAMS:2019:9923
Strafrecht
RECHTBANK AMSTERDAM Parketnummer: 13/751356-19 (EAB I) RK nummers: 19/3770 en 19/3771 BESCHIKKING Op de verzoeken om schadevergoeding en de daarmee samenhangende vergoeding van kosten van rechtsbijstand ex artikel 67 van de Overleveringswet (hierna: OLW) in samenhang met artikelen 89 en 591a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van [verzoeker] , geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1988, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, te dezen domicilie kiezend op het kantooradres van zijn raadsman, mr. M. de Klerk, [adres advocaat] , hierna te noemen: verzoeker. 1Procesgang Bij schriftelijke verzoeken, bij de rechtbank ingekomen op 26 juni 2019, heeft verzoeker vergoeding verzocht van de schade geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming en van de kosten van rechtsbijstand in de overleveringsprocedure, die is geëindigd met de beslissing van de Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank te Amsterdam (hierna: IRK) van 25 juni 2019 tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. De rechtbank heeft op 26 november 2019 de gemachtigd raadsman van verzoeker, mr. M. de Klerk, advocaat te Velserbroek, en de officier van justitie, mr. M. Diependaal, in openbare raadkamer gehoord. De verzoeken zijn tijdig ingediend en (mede daarom) ontvankelijk. 2Voorgeschiedenis De rechtbank gaat uit van de volgende feiten: - Op 5 april 2019 is door de Staatsanwaltschaft te Lüneburg (Duitsland) een Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB I) uitgevaardigd, strekkende tot de aanhouding en overlevering van verzoeker aan Duitsland, in verband met een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. - Op 25 april 2019 is verzoeker op grond van EAB I aangehouden in Nederland en gedetineerd op grond van de OLW. - Bij arrest van 27 mei 2019 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) in de zaken C-508-18 (zaak OG) en C-82/19 PPU (zaak PI) de vragen beantwoord van de Ierse Supreme Court en de Ierse High Court, of het Openbaar Ministerie in Lübeck (Duitsland) en het Openbaar Ministerie in Zwickau (Duitsland) rechterlijke autoriteiten zijn als bedoeld in het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (hierna: het Kaderbesluit). Uit het arrest van het HvJ EU volgt dat – kort gezegd – het Openbaar Ministerie in Lübeck en het Openbaar Ministerie in Zwickau niet als rechterlijke autoriteiten in de zin van het Kaderbesluit kunnen worden aangemerkt. - Op 5 juni 2019 heeft de officier van justitie gevorderd dat het EAB met parketnummer 13/751491-19 (EAB II), uitgevaardigd op 31 mei 2019 door het Amtsgericht te Lüneburg, zal worden behandeld op een zitting van de rechtbank. De inhoud van dit EAB was gelijkluidend aan de inhoud van EAB I. Op 5 juni 2019 is de overleveringsdetentie overgegaan van EAB I op EAB II. - Op vordering van de officier van justitie van 1 mei 2019 is EAB I behandeld op de zitting van deze rechtbank en kamer van 25 juni 2019. In navolging van het arrest van 27 mei 2019 van het HvJ EU heeft de rechtbank bij uitspraak van 25 juni 2019 de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van EAB I. In haar uitspraak heeft de rechtbank tevens vastgesteld dat de overleveringsdetentie op grond van dat EAB is beëindigd. - EAB II is eveneens behandeld op de zitting van 25 juni 2019. Ten aanzien van dit EAB heeft de rechtbank de overlevering bij uitspraak van 25 juni 2019 toegestaan. De opgeëiste persoon is op 4 juli 2019 feitelijk overgeleverd aan de Duitse autoriteiten. 3Verzoeken De verzoeken strekken tot het toekennen van een vergoeding door de Nederlandse Staat van - € 3.120,- € 3.120,- voor de ondergane vrijheidsbeneming van verzoeker in Nederland in de overleveringsprocedure (EAB I), nader gespecificeerd: 39 dagen Huis van Bewaring x € 80,- = € 3.120,-. - € 550,- € 550,- voor de kosten die in verband met het (opstellen, indienen en behandelen) van de verzoeken zijn gemaakt. De raadsman heeft ter zitting de verzoeken nader toegelicht. Hij heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat verzoeker schadevergoeding ex artikel 67 van de OLW toekomt, omdat verzoeker door het ondergaan van de voorlopige hechtenis op grond van EAB I schade heeft geleden. 4Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek tot het vergoeden van schade geleden ten gevolge van vrijheidsneming. De reden hiervoor is, zakelijk weergegeven, dat er geen sprake is van een weigering van de overlevering. Subsidiair heeft de officier van justitie aangevoerd dat het verzoek moet worden afgewezen, nu niet te voorzien was dat het HvJ EU in haar arrest van 27 mei 2019 zou oordelen dat Duitse officieren van justitie geen rechterlijke autoriteiten zijn als bedoeld in het Kaderbesluit. Toen dit arrest bekend werd bij het Nederlandse Openbaar Ministerie, is onmiddellijk aan de Duitse autoriteiten kenbaar gemaakt dat EAB I niet tot overlevering zou kunnen leiden. In de visie van de officier van justitie is het redelijk dat het Nederlandse Openbaar Ministerie de Duitse autoriteiten enige tijd heeft gegund om EAB I te vervangen door een EAB dat is uitgevaardigd door een bevoegde rechterlijke autoriteit (EAB II). Het was dan ook redelijk om de overleveringsdetentie op grond van EAB I te laten voortduren totdat deze kon overgaan op EAB II. Meer subsidiair heeft de officier van justitie aangevoerd dat verzoeker op grond van EAB I in ieder geval rechtmatig in overleveringsdetentie heeft gezeten tot het arrest van 27 mei 2019 van het HvJ EU, zodat een eventueel toe te kennen vergoeding hoogstens kan zien op de periode van 27 mei 2019 tot 5 juni 2019. 5Toetsingskader Artikel 67 OLW correspondeert met artikel 59 Uitleveringswet (UW). Artikel 67, eerste lid, OLW bepaalt dat de rechtbank op verzoek van de opgeëiste persoon hem een vergoeding ten laste van de Staat kan toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming bevolen krachtens de OLW. Daarvoor is vereist dat zijn overlevering is geweigerd. Artikel 89, derde, vierde en zesde lid, Sv en de artikelen 90, 91 en 93 Sv zijn daarbij van overeenkomstige toepassing. In de gevallen als bedoeld in artikel 67, eerste lid, OLW zijn de artikelen 591 en 591a Sv van overeenkomstige toepassing op vergoeding van kosten voor rechtsbijstand, zo bepaalt artikel 67, tweede lid, OLW. Op grond van artikel 90, eerste lid, Sv kent de rechtbank een vergoeding voor schade, geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming en rechtsbijstand, toe, indien daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn. Daarbij moeten alle feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen. 6Oordeel van de rechtbank De rechtbank slaat bij de beoordeling van de verzoeken niet alleen acht op bovengenoemd toetsingskader, maar ook op haar beschikkingen van 26 juli 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:5339 respectievelijk ECLI:NL:RBAMS:2018:5343). De rechtbank WIJST TOE de verzoeken tot schadevergoeding en vergoeding van kosten van rechtsbijstand ten bedrage van: € 3.120,- vanwege vrijheidsbeneming van verzoeker in Nederland in de overleveringsprocedure (EAB I) en € 550,- voor de kosten die in verband met het opstellen, indienen en behandelen van de verzoeken zijn gemaakt. Deze beslissing is gegeven op 10 december 2019 en in het openbaar uitgesproken door mr. A.K. Glerum, voorzitter, mrs. J.A.A.G. de Vries en M.E.M. James-Pater, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier. Tegen deze beslissing staat voor verzoeker hoger beroep open, in te stellen ter griffie van deze rechtbank, binnen een maand na betekening van deze beschikking. De rechtbank Amsterdam, Internationale rechtshulpkamer, beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 3.670,- (drieduizend zeshonderd zeventig euro) op: IBAN/rekeningnummer [bankrekeningnummer] bij de ING-bank, ten name van [advocatenbureau] , onder vermelding van dossiernummer [nummer] , vergoeding 67 OLW, 89 en 591a Sv, inzake: [verzoeker] (verzoeker). Aldus gedaan op 10 december 2019 door mr. A.K. Glerum, voorzitter.