ECLI:NL:RBAMS:2020:2002
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 8087391 CV EXPL 19-20550
vonnis van: 27 maart 2020
fno.: 991
vonnis van de kantonrechter
i n z a k e
Intrum Nederland B.V.
gevestigd te Amersfoort
eisende partij
gemachtigde: Inkassier Gerechtsdeurwaarders & Incasso
t e g e n
[gedaagde]
wonende te Amsterdam
gedaagde partij
niet verschenen
Bij dagvaarding van 27 september 2019 heeft eisende partij gevorderd dat gedaagde partij zal worden veroordeeld tot betaling van € 765,27 aan hoofdsom, met nevenvordering(en), waaronder rente en buitengerechtelijke kosten, één en ander zoals in de dagvaarding nader omschreven.
Gedaagde partij heeft niet (tijdig) geantwoord en evenmin uitstel gevraagd, zodat tegen deze verstek is verleend.
Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.
Gronden van de beslissing
Eisende partij stelt - kort weergegeven - dat gedaagde partij in de hoedanigheid van consument een overeenkomst heeft gesloten met Energiedirect B.V. (verder: de handelaar). Op de overeenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing. Op grond van de overeenkomst heeft de handelaar elektriciteit en/of gas geleverd op het adres van gedaagde partij. Gedaagde partij heeft niet alle daarvoor gestuurde facturen betaald. De handelaar heeft haar vordering op gedaagde partij gecedeerd aan eisende partij.
Gedaagde partij is een consument.
De dagvaarding moet onder meer de eis en de gronden daarvan vermelden. De voor de beslissing van belang zijnde feiten moet eisende partij volledig en naar waarheid aanvoeren.
4. Om de vordering te beoordelen moet de kantonrechter beschikken over de feiten en stukken die voor de beslissing in deze consumentenzaak van belang zijn. Welke feiten en stukken dat zijn, kan onder meer worden afgeleid uit de vragen van het door deze rechtbank op de website beschikbaar gestelde en in de periode van 1 juli 2019 tot 1 oktober 2019 bij tussenvonnis aan repeatplayers verstrekte informatieformulier voor consumentenverstekzaken, maar volgt ook uit de wet. Alle in dat formulier gevraagde informatie moet worden verstrekt en alle daarin aangegeven stukken moeten worden overgelegd, daar waar nodig voorzien van een toelichting.
5. Waarom is verstrekking van al deze informatie nodig? Op grond van vaste rechtspraak moet de kantonrechter in alle zaken waarbij een consument als gedaagde partij optreedt niet alleen ambtshalve beoordelen of er een beroep wordt gedaan op oneerlijke bedingen, maar ook dat gedaagde partij niet benadeeld wordt in de aan hem of haar toekomende Europeesrechtelijke (en in de wet vastgelegde) rechten. Consumenten moeten als zwakkere partij worden beschermd tegen de veelal sterke positie van handelaren.
6. Voor de beoordeling van deze zaak is, mede gelet op het voorgaande, van belang dat eisende partij over het volgende voldoende stelt en daar waar nodig onderbouwt:
1. De hoedanigheid van gedaagde partij. In deze zaak stelt eisende partij dat gedaagde partij een consument is. Eisende partij heeft hierover dus voldoende gesteld.
2. De grondslag van de vordering. In deze zaak stelt eisende partij dat sprake is van levering van energie. Eisende partij heeft hierover dus ook voldoende gesteld.
3. Is er een schriftelijke overeenkomst? Zo ja, dan dient deze in het geding te worden gebracht. Zo nee, dan dient een andere vorm van bevestiging aan gedaagde partij te worden overgelegd. Eisende partij stelt hierover niets. Bij de producties zit in ieder geval geen schriftelijke overeenkomst. Voor zover geen schriftelijke overeenkomst bestaat, omdat de overeenkomst bijvoorbeeld online is gesloten, dient eisende partij de aan gedaagde partij verstrekte bevestiging van de overeengekomen afspraken te overleggen. Ook een dergelijke bevestiging ontbreekt. Eisende partij heeft in dit kader dus onvoldoende gesteld en onderbouwd.
4. Waar de overeenkomst is gesloten. Was dat in een verkoopruimte? Zo ja, vermeld dat. Zo nee, dan dient te worden gesteld hoe de overeenkomst tot stand is gekomen. Dat kan bijvoorbeeld online zijn (overeenkomst op afstand) of in een verkoopruimte waar de handelaar niet op permanente basis of gewoonlijk haar activiteiten uitoefent (overeenkomst buiten verkoopruimte). In die gevallen gelden er aanvullende wettelijke verplichtingen. Eisende partij stelt in de onderhavige zaak niet waar of hoe de overeenkomst is gesloten. Hierdoor kan niet worden beoordeeld of er aanvullende verplichtingen gelden en zo ja, of eisende partij aan deze aanvullende verplichtingen heeft voldaan. Eisende partij dient hierover dus meer te stellen en te onderbouwen.
5. Wanneer is de overeenkomst gesloten?De datum van sluiting van de overeenkomst zou gevolgen kunnen hebben voor het wel of niet toewijzen van de vordering en het wel of niet toetsen aan de wettelijke (pre)contractuele informatieverplichtingen. Laatstgenoemde wetgeving is ingevoerd op 13 maart 2014. Voor die periode is toetsing of aan de informatieverplichtingen is voldaan niet aan de orde. In deze zaal stelt eisende partij niet wanneer de overeenkomst is gesloten.
6. Indien de overeenkomst buiten verkoopruimte of op afstand (bijvoorbeeld online) is gesloten, dient eisende partij te stellen én onderbouwen dat is voldaan aan de wettelijke precontractuele en contractuele informatieverplichtingen. Deze informatieverplichtingen zijn te beschouwen als verbintenissen die uit de wet voortvloeien.Als sprake is van een overeenkomst op afstand of buiten verkoopruimte, dan moet - kort gezegd - vóór het sluiten van de overeenkomst op passende, duidelijke en begrijpelijke wijze de in artikel 6:230m lid 1 BW opgesomde informatie aan de consument worden verstrekt. Dat aan deze verplichting is voldaan dient gemotiveerd te worden gesteld en kan worden onderbouwd door bijvoorbeeld schermafdrukken van het daadwerkelijke bestelproces over te leggen. Het doel van deze wetgeving is de consument de mogelijkheid geven een weloverwogen besluit te nemen over de verplichting die wordt aangegaan. Een verwijzing achteraf naar waar de informatie als bedoeld in artikel 6:230m lid 1 BW op de website dan wel in de algemene voorwaarden kan worden gevonden is, gelet op voornoemd doel, niet afdoende. Kortom: eisende partij dient de informatie van artikel 6:230m lid 1 BW op haar website op zodanige wijze te verstrekken dat de consument deze tijdens het bestel- of aanmeldproces niet kan missen. Daarnaast moet binnen een redelijke termijn na het sluiten van de overeenkomst een bevestiging van de overeenkomst worden verstrekt met daarin wederom alle toepasselijke contractuele informatieverplichtingen op een duurzame gegevensdrager, zoals een e-mail of brief. In deze zaak kan niet worden beoordeeld of eisende partij had moeten voldoen aan de informatieverplichtingen, en zo ja, of daaraan is voldaan, omdat niet is gesteld hoe en wanneer de overeenkomst tot stand is gekomen en er niets is vermeld over de daadwerkelijke informatie die in deze zaak is verstrekt.
7. Als algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn moeten deze integraal worden overgelegd.Duidelijk moet worden welke (versie van de) algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn. In deze zaak overlegt eisende partij geen volledige versie van de van toepassing zijnde algemene voorwaarden, maar slechts delen. Dat volstaat niet.
8. Gesteld moet worden of de vordering (mede) is gebaseerd op bepalingen in de algemene voorwaarden. Als dat het geval is moet worden gesteld welke bepalingen dat zijn en worden toegelicht waarom geen sprake is van een oneerlijk beding in de zin van Richtlijn 93/13 oneerlijke bedingen. In deze zaak noemt eisende partij in het lichaam van de dagvaarding enkele bedingen uit de algemene voorwaarden waarop zij zich beroept. Eisende partij geeft geen antwoord op de vraag waarom de bedingen niet oneerlijk zijn.
9. Alle facturen waarvan in de procedure betaling wordt gevorderd moeten worden overgelegd. Ook moet een factuuroverzicht worden bijgevoegd. Eisende partij vordert in deze zaak diverse facturen van de handelaar, maar heeft deze niet overgelegd. De vordering is dus onvoldoende onderbouwd. Wel geeft eisende partij een (uiterst summiere) door haarzelf opgestelde facturenspecificatie.
De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt eisende partij in de proceskosten gevallen aan de zijde van gedaagde partij, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.
Artikel 111 lid 2 onder d jo. 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Deze verplichting volgt uit artikel 6:230v lid 7 jo. 6:230m lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Deze aanvullende wettelijke verplichtingen volgen uit Afdeling 2B van Titel 5 van Boek 6 BW.
Welke verplichtingen dat zijn staat in artikel 6:230m lid 1 e.v. BW (kijk bijvoorbeeld ook of artikel 6:230v BW van toepassing is).
Artikel 6:230m lid 1 jo 6:230v lid 7 BW.
Bijvoorbeeld in de bevestiging op een duurzame drager, zoals een e-mail
Toegepaste wetsartikelen
- Artikel 230m — Burgerlijk Wetboek Boek 6
- Artikel 230v — Burgerlijk Wetboek Boek 6
- Artikel 111 — Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
- Artikel 265 — Burgerlijk Wetboek Boek 6
- Artikel 21 — Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)