Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2021-04-06
ECLI:NL:RBAMS:2021:1623
Strafrecht
RECHTBANK AMSTERDAM Parketnummer: 13/751460-19 RK nummers: 19/5048 en 19/5049 BESCHIKKING Op de verzoeken tot schadevergoeding en de daarmee samenhangende vergoeding van kosten van rechtsbijstand ex artikel 67 van de Overleveringswet (hierna: OLW) in samenhang met artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van [verzoeker], geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1989, domicilie kiezende op het kantooradres van zijn raadsman, mr. I.R. Rigter, [kantooradres]. hierna te noemen: verzoeker. 1Procesgang Bij schriftelijke verzoeken, bij de rechtbank ingediend op 30 september 2019, heeft verzoeker vergoeding verzocht van de schade, geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming alsmede van de kosten van rechtsbijstand in de overleveringsprocedure, die is geëindigd met de beslissing van de Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank te Amsterdam (hierna: IRK) van 13 augustus 2019 waarin de officier van justitie niet-ontvankelijk is verklaard in de vordering. De rechtbank heeft op 28 januari 2021 het onderzoek geschorst voor onbepaalde tijd omdat de officier van justitie, mr. K. van der Schaft, de zitting die dag heeft moeten verlaten omdat bleek dat hij in contact was geweest met een collega die positief was getest op het coronavirus. De behandeling is met instemming van partijen voortgezet in openbare raadkamer op 23 maart 2021. Gehoord zijn de officier van justitie, mr. J.J.M. Asbroek en – aanwezig via een telefoonverbinding – de raadsman van verzoeker, mr. I.R. Rigter, advocaat te Amsterdam. De verzoeken zijn tijdig ingediend en (mede daarom) ontvankelijk. 2Voorgeschiedenis De rechtbank gaat uit van de volgende feiten: - Op 9 april 2019 is door de Rigsadvokaten, Denemarken, een Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB) uitgevaardigd, strekkende tot de aanhouding en overlevering van verzoeker aan Denemarken, in verband met een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek; - Op 27 mei 2019 is verzoeker voorlopig aangehouden in Nederland en gedetineerd op grond van de OLW gelet op voormeld EAB; - Op vordering van de officier van justitie van 6 juni 2019 is het overleveringsverzoek behandeld op de zitting van 6 augustus 2019; - Bij uitspraak van deze rechtbank en kamer van 13 augustus 2019 is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering ex artikel 23, tweede lid, OLW. Daarbij is de overleveringsdetentie opgeheven. 3Verzoeken De verzoeken strekken tot het toekennen van een vergoeding door de Nederlandse Staat van - € 6.370,-- € 6.370,-- voor de ondergane vrijheidsbeneming van verzoeker in Nederland in de overleveringsprocedure, nader gespecificeerd: 2 dagen politiebureau: 2 x € 105,- = € 210,-- 77 dagen Huis van Bewaring 77 x € 80,- = € 6.160,-- - € 280,-- € 280,-- voor de kosten die in verband met het (opstellen, indienen en behandelen) van de verzoeken zijn gemaakt. De raadsman heeft ter zitting de verzoeken nader toegelicht. Hij heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat verzoeker schadevergoeding ex artikel 67 van de OLW toekomt. De rechtbank heeft immers al eerder beslist dat ook in het geval van niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie als gevolg van het uitvaardigen van het EAB door een niet-rechterlijke autoriteit, schadevergoeding gerechtvaardigd is, nu de overleveringsdetentie – achteraf bezien – als onterecht ondergaan moet worden gekwalificeerd. 4Standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek tot het vergoeden van schade, geleden ten gevolge van vrijheidsneming. De reden hiervoor is, zakelijk weergegeven, dat er geen sprake is van een weigering van de overlevering. Het staat de rechtbank niet vrij om naar analogie de mogelijkheden tot het toekennen van schadevergoeding te verruimen zodat ook in gevallen waarin geen sprake is van een weigering, schadevergoeding wordt toegekend. Subsidiair heeft de officier van justitie aangevoerd dat het verzoek moet worden afgewezen, nu het Deense Openbaar Ministerie ten tijde van het uitvaardigen van het EAB bevoegd was. De zaak van verzoeker was de eerste zaak ná het arrest OG & PI van 27 mei 2019 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). Het Deense OM is zich op het standpunt blijven stellen dat zij bevoegd is, omdat de ministeriële aanwijzingsbevoegdheid niet zou gelden voor overleveringszaken. Dat de rechtbank dit uiteindelijk anders heeft beoordeeld, maakt niet dat er sprake is van een situatie waarbij al op voorhand vaststond dat het EAB geen kans van slagen had. Op 28 juni 2019 heeft een raadkamerbehandeling plaatsgevonden waarbij het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de overleveringsdetentie is afgewezen. Als op dat moment al duidelijk was geweest dat het EAB niet tot overlevering zou kunnen leiden, had de rechtbank wel anders beslist. In dat geval zou ook de officier van justitie de detentie hebben beëindigd. Meer subsidiair heeft de officier van justitie aangevoerd dat de opgeëiste persoon in ieder geval terecht in overleveringsdetentie heeft gezeten tot het moment waarop de betreffende informatie uit Denemarken is ontvangen, te weten 18 juni 2019. Van een eventuele onterechte detentie kan enkel sprake zijn vanaf die datum, tot de datum van de uitspraak op 13 augustus 2019. 5Toetsingskader Artikel 67 OLW correspondeert met artikel 59 Uitleveringswet (UW). Artikel 67, eerste lid, OLW bepaalt dat de rechtbank op verzoek van de opgeëiste persoon hem een vergoeding ten laste van de Staat kan toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming bevolen krachtens de OLW. Daarvoor is vereist dat zijn overlevering is geweigerd. Artikel 533, derde, vierde en zesde lid, Sv en de artikelen 534, 535 en 536 Sv zijn daarbij van overeenkomstige toepassing. In de gevallen als bedoeld in artikel 67, eerste lid, OLW zijn de artikelen 529 en 530 Sv van overeenkomstige toepassing op vergoeding van kosten voor rechtsbijstand, zo bepaalt artikel 67, tweede lid, OLW. Op grond van artikel 534, eerste lid, Sv kent de rechtbank een vergoeding voor schade, geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming en rechtsbijstand, toe, indien daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn. Daarbij moeten alle feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen. 6Oordeel van de rechtbank De rechtbank slaat bij de beoordeling van de verzoeken niet alleen acht op bovengenoemd toetsingskader, maar ook op haar beschikkingen van 26 juli 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:5339 respectievelijk ECLI:NL:RBAMS:2018:5343). In deze beschikkingen heeft de rechtbank onder meer overwogen dat een weigering van de overlevering tot de vaststelling leidt dat de verzoeker ten onrechte gedetineerd is geweest, en dat deze vaststelling – waarmee geen negatief oordeel over het handelen van de Nederlandse Staat is gegeven – vergoeding van schade, geleden als gevolg van vrijheidsbeneming, op grond van artikel 67 OLW in beginsel toewijsbaar maakt. Het ten onrechte gedetineerd zijn geweest leidt er immers toe dat het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de vrijheidsbeneming niet voor rekening van verzoeker worden gelaten, maar door de Staat worden gedragen. Het Gerechtshof Amsterdam heeft deze beschikkingen bij beschikkingen van 9 juli 2019 bevestigd (ECLI:NL:GHAMS:2019:2617 respectievelijk ECLI:NL:GHAMS:2019:2616). De rechtbank WIJST TOE de verzoeken tot schadevergoeding en vergoeding van kosten van rechtsbijstand ten bedrage van: € 6.370,--, - vanwege vrijheidsbeneming van verzoeker in Nederland in de overleveringsprocedure en € 280,--, - voor de kosten die in verband met het opstellen, indienen en behandelen van de verzoeken zijn gemaakt. Deze beslissing is gegeven op 6 april 2021 en in het openbaar uitgesproken door mr. J.G. Vegter, voorzitter, mrs. J.A.A.G. de Vries en J.H. Beestman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier. Tegen deze beslissing staat voor verzoeker hoger beroep open, in te stellen ter griffie van deze rechtbank, binnen een maand na betekening van deze beschikking. De rechtbank Amsterdam, Internationale rechtshulpkamer, beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 6.650,- (zesduizend zeshonderd vijftig euro) op IBAN/rekeningnummer [rekeningnummer] bij de ING-bank, ten name van Bakker, Rigter & Lonterman strafpleiters, onder vermelding van schadevergoeding [verzoeker]. Aldus gedaan op 6 april 2021 door mr. J.G. Vegter, voorzitter. ECLI:EU:C:2019:456 Vergelijk Rechtbank Amsterdam, 10 december 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:9923.