Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2025-01-17
ECLI:NL:RBAMS:2025:378
Bestuursrecht
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 24/3730 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit Amsterdam, eiser en Dienst Toeslagen, verweerder (gemachtigde: mr. F. Saglik). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de vaststelling dat eiser geen recht heeft op huurtoeslag voor het jaar 2022 en de terugvordering van zijn huurtoeslag over ditzelfde jaar. 1.1. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiser via een telefoonverbinding deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Akka en mr. A.F. van der Weijden. Wat aan deze procedure voorafging 2. Eiser heeft voor het jaar 2022 een voorschot huurtoeslag van € 2.160,- ontvangen. Op 6 december 2023 heeft verweerder de voor 2022 vastgestelde inkomens- en vermogensgegevens van eiser vanuit het Basisregistratie Inkomen (BRI) verkregen. Het inkomen van eiser over het jaar 2022 is vastgesteld op € 16.312,- en zijn vermogen op € 34.815,-. Met een besluit van 9 februari 2024 is de huurtoeslag voor het jaar 2022 vervolgens op nihil gesteld, omdat het eigen vermogen van eiser op 1 januari 2022 (de peildatum) te hoog was. 3. Met het bestreden besluit van 23 mei 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven. Standpunt eiser 4. Eiser stelt dat hij zijn vermogen niet heeft om leuke dingen te doen. Het geld is bedoeld om achter de hand te houden voor wanneer hij hulpbehoevender wordt. Hij heeft daarnaast ook nooit pensioen opgebouwd. Eiser is ook van mening dat er veel onduidelijkheid is, zo weet hij pas sinds 4 maart 2023 dat zijn vermogen al per 1 januari 2021 te hoog was. Ook wist eiser niet dat vermogen van invloed kon zijn op zijn huurtoeslag. 5. De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht de huurtoeslag voor 2022 op nihil heeft gesteld en of verweerder het volledige bedrag mocht terugvorderen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 6. De rechtbank is oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.Recht op huurtoeslag 7. Huurtoeslag is een inkomensafhankelijke uitkering en moet worden gezien als een bijdrage in de huurkosten. Een toeslag is een financiële tegemoetkoming van het Rijk, waarop alleen aanspraak kan worden gemaakt als wordt voldaan aan de voorwaarden in de wet en regelgeving. In het geval van de huurtoeslag, wordt deze op voorschotbasis uitbetaald. 8. Artikel 3, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag (Wht) bepaalt dat het recht op en de hoogte van de huurtoeslag afhankelijk is van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen van de huurder, diens partner en medebewoners. 8.1 In artikel 7, derde lid, van de Awir staan de algemene grenzen voor het vermogen gegeven. Als in een inkomensafhankelijke regeling het recht op een tegemoetkoming ook afhankelijk is gesteld van de hoogte van het vermogen, heeft de aanvrager geen recht op een tegemoetkoming, als de rendementsgrondslag van belanghebbende aan het begin van het berekeningsjaar (in dit geval 2022) meer bedraagt dan € 31.747,-. Er is in dit verband sprake van een zogeheten harde vermogensgrens. 9. Het vermogen van eiser van € 34.815,- lag ruim boven de wettelijke grens. Eiser heeft dit ook niet betwist. Ditzelfde geldt voor het feit dat eiser het vermogen niet zelf aan verweerder heeft doorgegeven. Er is geen mogelijkheid voor verweerder om het vermogen van eiser voor de vaststelling op zijn recht op huurtoeslag voor 2022 buiten beschouwing te laten. Dit betekent dat verweerder het recht op huurtoeslag voor 2022 terecht op nihil heeft gesteld. Terugvordering 10. De vraag die dan vervolgens voorligt, is of verweerder de terugvordering had moeten matigen, dan wel van de terugvordering had moeten afzien. 11. Verweerder is gehouden het volledige teveel aan uitbetaald voorschot terug te vorderen. Enkel onder bijzondere omstandigheden kan verweerder afzien van terugvordering of het terug te vorderen bedrag matigen. Zij kan een lager bedrag terugvorderen als de nadelige gevolgen van een volledige terugvordering onevenredig zijn in verhouding tot de met die volledige terugvordering te dienen doelen. Verweerder vordert het bedrag terug op grond van artikel 24, derde lid, van de Awir. Een terugvordering dient het algemene belang dat gemeenschapsgelden juist worden besteed. 12. De rechtbank zal hieronder gaan toetsten of de door eiser aangevoerde omstandigheden voldoende zijn om de terugvordering te matigen, dan wel van de terugvordering af te zien. 13. Dat eiser zich op het standpunt stelt dat hij niet adequaat is geïnformeerd over het doorgeven van het vermogen en dus dat hij helemaal niet wist dat vermogen werd meegerekend, volgt de rechtbank niet. Van een aanvrager van een toeslag mag worden verwacht dat deze zelf onderzoek doet naar de voorwaarden waaronder hij een toeslag mag ontvangen. Het feit dat eiser deze toeslag al zo’n 20 jaar ontvangt, doet hier niet aan af. Eiser doet elk jaar opnieuw een aanvraag en is zelf verantwoordelijk om uit te zoeken of hij aan de voorwaarden voldoet. Op de website van de Dienst Toeslagen staat alle informatie aangegeven. Daarnaast staat ook op het voorblad van de voorschotbeschikking dat eiser de gegevens waarmee het voorschot is berekend moet controleren. 14. De andere door eiser aangevoerde omstandigheden, te weten zijn langdurige ziekte zodat hij essentiële aankopen heeft moeten uitstellen en dat hij geld opzij heeft gelegd voor zijn pensioen, kunnen hem ook niet baten. Ten eerste is niet aannemelijk gemaakt dat hij geen aankopen heeft kunnen doen. Op de zitting heeft eiser aanvullend gesteld dat hij digitaal niet handig is en dat hij niet beschikt over internetbankieren. De rechtbank is het met verweerder eens dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij hiervoor niet bijvoorbeeld de hulp van anderen had kunnen inroepen. Daarnaast is achteraf betalen met een factuur mogelijk en kan tegenwoordig bijvoorbeeld een koelkast ook gewoon thuisbezorgd worden. Ten tweede is het de eigen keuze van eiser geweest om geld opzij te leggen voor zijn pensioen. Dit maakt niet dat met zijn vermogen voor dit doel geen rekening zou moeten worden gehouden. 15. Uit het Verzamelbesluit Toeslagen volgt dat van een onevenredige terugvordering in beginsel geen sprake is als die terugvordering het gevolg is van een overschrijding van de vermogensgrens. Dat is in deze zaak van eiser het geval. Een terugvordering is daarnaast niet onevenredig als een belanghebbende de financiële middelen heeft om deze te betalen. Uit de hoogte van het vermogen van eiser kan worden opgemaakt dat eiser de terugvordering kan betalen. Voor matiging, dan wel het volledig afzien van de terugvordering is daarom geen grond. 16. De rechtbank volgt verweerder in haar standpunt dat de nadelige gevolgen voor eiser in dit geval niet onevenredig zijn met de daarmee te dienen doelen. Verweerder heeft terecht de onverschuldigde betaalde voorschotten huurtoeslag over 2022 in zijn geheel bij eiser teruggevorderd. 17. Ten overvloede wijst de rechtbank eiser nog op de mogelijkheid voor een betalingsregeling. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van mr. F. van der Maas, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 24, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Zoals deze volgt uit artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB). Of meer zou bedragen dan dit bedrag als er geen rekening wordt gehouden met de vrijstelling zoals deze is bedoeld in artikel 5.13 Wet IB. Op grond van artikel 26, eerste lid, van de Awir. Zie artikel 26, tweede lid, Awir en het Verzamelbesluit Toeslagen van 9 juli 2024. Artikel 17 Awir. Bijvoorbeeld op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). 18. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.