Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-02-26
ECLI:NL:RBAMS:2026:1963
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 25/2026 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit Amsterdam, [eiseres] (gemachtigde: [gemachtigde 1] , en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het Uwv (gemachtigde: [gemachtigde 2] ). Procesverloop 1.1. [eiseres] is op 13 oktober 2004 uitgevallen voor haar werk als directeur kunstgalerie bij Stichting Werkgevers Instituut en ontvangt sindsdien een WIA-uitkering. 1.2. Met het besluit van 3 december 2021 heeft het Uwv de WIA-uitkering van [eiseres] na een herbeoordeling omgezet in een IVA-uitkering. Vervolgens heeft [eiseres] in maart 2022 een nabetaling over het jaar 2021 ontvangen van € 5.820,81. 1.3. Met het besluit van 23 november 2023 heeft het Uwv over het jaar 2021 een bedrag van € 10.310,82 van [eiseres] teruggevorderd. 1.4. [eiseres] is op 9 januari 2024 tegen dit besluit in bezwaar gegaan. Met de beslissing op bezwaar van 3 maart 2025 is het Uwv bij haar besluit gebleven (het bestreden besluit). 1.5. [eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft hierop gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van [eiseres] en de gemachtigde van het Uwv deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Wat aan deze procedure voorafging 2. 2.1. In 2021 heeft [eiseres] maandelijks voorschotten op haar IVA-uitkering van het Uwv ontvangen. Ook heeft [eiseres] in dat jaar een subsidie van het Mondriaanfonds ontvangen, voor het schrijven van een boek en het organiseren van een tentoonstelling. 2.2. Na het vaststellen van haar definitieve inkomen over 2021, heeft het Uwv op 23 november 2023 een bedrag van € 10.310,82 van [eiseres] teruggevorderd. Dit omdat uit de definitieve berekening over dat jaar blijkt dat het inkomen van eiseres hoger is dan waarmee bij de betaling van de voorschotten in 2021 en de nabetaling in 2022 rekening is gehouden. 2.3. Bij het vaststellen van de hoogte van het inkomen is het Uwv uitgegaan van de informatie van de belastingdienst waarbij de subsidie als inkomen is aangemerkt. Inkomsten die iemand naast een IVA-uitkering ontvangt, moeten voor 70% worden gekort. 2.4. [eiseres] is het niet eens met de terugvordering en voert in beroep aan dat het Uwv haar inkomen onjuist heeft berekend. Het Uwv kwalificeert ten onrechte de gehele subsidie als inkomen. Ongeveer een kwart van de subsidie was namelijk bedoeld als vergoeding voor de bij de uitvoering van de subsidie te maken kosten. Ook is er sprake van strijd met het evenredigheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, omdat de bijzondere omstandigheden van [eiseres] onvoldoende bij de beoordeling zijn betrokken. Zo heeft [eiseres] als gevolg van de coronapandemie de subsidie niet kunnen besteden aan de projecten waarvoor deze bestemd was en heeft zij daardoor ook geen aftrekbare kosten kunnen maken. Inkomsten tijdens uitkering 3. 3.1. Over inkomsten die iemand tijdens het recht op een (IVA-)uitkering ontvangt, is in artikel 52 van de Wet WIA bepaald dat die in mindering moeten worden gebracht op de uitkering. In het vierde lid van dat artikel is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder inkomen wordt verstaan. Dit is het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (hierna: het inkomensbesluit). 3.2. In artikel 3:2, eerste lid, van het inkomensbesluit is bepaald wat onder inkomen wordt verstaan. Relevant voor deze zaak is de bepaling in het eerste lid, onder d: ‘Onder inkomen wordt verstaan: de belastbare winst uit onderneming, bedoeld in paragraaf 3.2.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (…)”. 3.3. Uit de stukken en de door het Uwv op de zitting gegeven toelichting, blijkt dat het Uwv bij het bepalen van het inkomen van [eiseres] is uitgegaan van de belastbare winst uit onderneming als bedoeld in de Wet inkomstenbelasting 2001. Het Uwv heeft het inkomen van [eiseres] daarmee op de juiste wijze vastgesteld. Op grond van artikel 52, eerste lid, van de Wet WIA heeft het Uwv dan ook terecht besloten om dit inkomen in mindering te brengen op de IVA-uitkering van [eiseres] . 3.4. Dat de subsidie volgens [eiseres] voor ongeveer een kwart zou bestaan uit een vergoeding voor te maken kosten en dat hiermee bij de bepaling van haar inkomen ten onrechte geen rekening is gehouden, volgt de rechtbank niet. Voor het buiten beschouwing laten van een deel van de door eiseres ontvangen subsidie omdat deze bedoeld was als vergoeding voor te maken kosten, biedt de wet- en regelgeving geen ruimte. Alleen daadwerkelijk gemaakte kosten zijn relevant bij het vaststellen van de behaalde winst uit onderneming en daarvan is geen sprake. Bovendien heeft de gemachtigde van [eiseres] op de zitting toegelicht dat er geen (bestedings)voorwaarden aan de subsidie zijn verbonden. Evenredigheid 4. 4.1. Ook het standpunt van [eiseres] dat er sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel omdat zij als gevolg van de coronapandemie in 2021 geen kosten kon maken, volgt de rechtbank niet. Uit de uitspraak van de grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024 volgt dat, wanneer het zoals hier gaat om een gebonden besluit dat is gebaseerd op een algemeen verbindend voorschrift, bijzondere omstandigheden kunnen maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het voorliggende geval voor een belanghebbende zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit betekent dat uiteindelijk (‘onder de streep’) moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst zou leiden. Daarbij gaat het dan alleen nog om de evenwichtigheid. Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor de belanghebbende onredelijk bezwarend is. 4.2. [eiseres] heeft niet onderbouwd dat het als gevolg van de coronapandemie voor haar onmogelijk was om een boek te schrijven of een tentoonstelling te organiseren. Bovendien heeft [eiseres] het subsidiebedrag niet terug hoeven betalen en heeft haar gemachtigde op de zitting toegelicht dat [eiseres] door de terugvordering niet in de financiële problemen komt. De rechtbank ziet dan ook geen grond om het inkomensbesluit buiten toepassing te laten en af te wijken van de regels over het bepalen van het inkomen. 4.3. Deze beroepsgrond slaagt niet. Dringende reden om af te zien van terugvordering? 5. 5.1. Over de terugvordering van te veel betaalde voorschotten, is in artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA (onder meer) bepaald dat een uitkering die op grond van deze wet alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald door het Uwv, wordt teruggevorderd. In het zesde lid van dat artikel is bepaald dat het Uwv kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. 5.2. De Centrale Raad van Beroep heeft in de uitspraak van 18 april 2024 zijn uitleg van de dringende reden verruimd, in die zin dat (ook) betekenis toekomt aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Niet alleen moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij moeten alle relevante feiten en omstandigheden worden betrokken, waaronder de vraag wat het eigen aandeel van verweerder is in de redenen voor herziening en/of terugvordering. Bij het nemen van een besluit over herziening of terugvordering is het bestuursorgaan verplicht om een belangenafweging te maken waarvan de uitkomst niet onevenredig mag zijn. 5.3. Uit de stukken en de op de zitting gegeven toelichting, blijkt dat het Uwv hierin een voor de rechtbank navolgbare belangenafweging heeft gemaakt. [eiseres] krijgt al ruim twintig jaar een uitkering op grond van de Wet WIA, werkt al lang als zelfstandige en weet dat inkomsten die zij naast haar uitkering ontvangt in mindering worden gebracht op haar uitkering.