ECLI:NL:RBAMS:2026:254
proces-verbaal RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht, voorzieningenrechter Zaaknummer: C/13/780246 / KG ZA 25-1018 NB/EvB Vonnis in kort geding van 19 januari 2026 in de zaak van [de vrouw] , woonplaats kiezend te [woonplaats 1] , eisende partij bij dagvaarding van 19 december 2025, hierna te noemen: de vrouw, advocaat: mr. W.Y. Hofstra, tegen [de man] , te [woonplaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: de man, advocaat: mr. R. de Falco, Tegenwoordig zijn mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, en mr. E. van Bennekom, griffier. Na uitroeping van de zaak verschijnen partijen en hun advocaten. De vrouw heeft een toelichting gegeven op de dagvaarding en de daarbij behorende producties. De man heeft ook producties ingediend, en verweer gevoerd tegen de vordering. Na debat op de zitting is de behandeling van de zaak gesloten en mondeling uitspraak gedaan. Daarvan is ingevolge artikel 29a Rv dit proces-verbaal opgemaakt, afgegeven op 19 januari 2026. 1 Inleiding Partijen hebben samen een dochter, [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019. De vrouw heeft verzocht om te bepalen dat de man kinderalimentatie moet betalen. In september 2022 heeft het gerechtshof Amsterdam de kinderalimentatie vastgesteld uitgaande van een netto-maandinkomen van de man van € 15.000,-, zoals de vrouw heeft gesteld. Volgens de man ligt zijn inkomen nu veel lager en is het vermogen dat hij in het verleden had opgebouwd al geruime tijd opgesoupeerd. Sinds de uitspraak van het gerechtshof is zijn betalingsachterstand opgelopen tot boven de € 100.000,-. De verhaalsmogelijkheden zijn beperkt gebleken. Via het LBIO wordt sinds enige tijd maandelijks € 261,51 geïncasseerd door executoriaal beslag op de ziektewetuitkering van de man. De vraag die nu voorligt, is of de vrouw lijfsdwang mag inzetten als drukmiddel om de man te bewegen tot nakoming van de beschikking van het gerechtshof. 2 De mondelinge uitspraak De voorzieningenrechter heeft de vordering van de vrouw in zijn geheel afgewezen, dus zowel de vordering tot lijfsdwang als de vordering tot een proceskostenveroordeling, reëel of forfaitair. De reden daarvoor is dat lijfsdwang volgens de wet niet mag worden opgelegd als sprake is van betalingsonmacht. De voorzieningenrechter is er niet van overtuigd dat er sprake is van betalingsonwil. Vooralsnog is aannemelijk dat sprake is van betalingsonmacht. Dat oordeel is gebaseerd op drie punten. Het eerste daarvan is dat de man thans (weer) een Ziektewetuitkering ontvangt. Er wordt van uitgegaan dat hij in dat kader gecontroleerd wordt, en dat hij dus niet in staat is om te werken. Op die Ziektewetuitkering wordt via het beslag maandelijks € 261,51 afgedragen, een bedrag dat in de buurt komt van de kinderalimentatie die in eerste aanleg door de rechtbank was vastgesteld (€ 310,-). Het tweede punt is dat de man schuldhulp heeft aangevraagd en dat afgewacht moet worden hoe dat verloopt. Als de schuldhulpverlening niet gaat lopen, is dat een aanwijzing dat ook de schuldhulpverlening er niet van overtuigd is dat de door de man opgegeven inkomsten daadwerkelijk al zijn inkomsten zijn. Het derde punt is dat de vrouw haar vorderingen baseert op de riante levensstijl van de man. Daar is na 2021 echter niets van gebleken, niet dat hij luxe vakanties genoot en ook niet dat hij op grote voet leeft. Op grond van de genoemde drie punten is aannemelijk dat het niet gaat om betalingsonwil, maar om betalingsonmacht. Dan is lijfsdwang niet op zijn plaats. De man doet er goed aan om (in het door hem aangekondigde hoger beroep tegen de afwijzing van zijn verzoek om het bedrag aan kinderalimentatie te beperken tot € 25,-) echt alle financiële stukken over te leggen, ook de belastingaanslagen die gevolgd zijn op de aangiftes die in dit kort geding zijn overgelegd. De proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd. 3 Beslissing De voorzieningenrechter - weigert de gevraagde voorziening, - compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzieningenrechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.