Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2026-02-26
ECLI:NL:RBAMS:2026:3154
RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11926072 \ CV EXPL 25-14306 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 26 februari 2026 in de zaak van [Eiser] , gevestigd in [vestigingsplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [Eiser] , gemachtigde: mr. X.B. Sijmons, tegen FURNITURE BROTHERS B.V. , gevestigd in Tubbergen, gedaagde partij, hierna te noemen: Furniture Brothers, gemachtigde: mr. A.J.C. van Gurp. De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Amsterdam. De zaak wordt behandeld door mr. S.P. Pompe, kantonrechter, bijgestaan door mr. W.B. Fonville, als griffier. Aanwezig zijn: [naam 1] , vennoot van [Eiser] , [naam 2] , mr. Sijmons voornoemd, [naam 3] , [functie] van Furniture Brothers, mr. T.R. Oude Veldhuis, kantoorgenoot van mr. Van Gurp voornoemd. Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Direct na de behandeling heeft de kantonrechter mondeling uitspraak gedaan. Daarvan is op grond van artikel 29a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dit proces-verbaal opgemaakt. 1 Het geschil en de beoordeling 1.1. De vraag die hier moet worden beantwoord, is wie de contractspartij van Furniture Brothers is geworden wat betreft de levering van een partij hout. [Eiser] heeft voor deze levering op 23 april 2025 een factuur gezonden, maar Furniture Brothers heeft het daarop vermelde bedrag, zonder de btw, betaald aan Everdina Trading Sp. z.o.o. (Everdina), een in Polen gevestigde vennootschap van [naam 2] ( [naam 2] ). Volgens [Eiser] is dit een fout geweest die voor rekening van Furniture Brothers komt. Furniture Brothers moet daarom volgens [Eiser] nog steeds de factuur, vermeerderd met de daarover verschuldigde handelsrente, aan haar betalen. 1.2. Het antwoord op de vraag wie partij is bij een overeenkomst is afhankelijk van hetgeen partijen jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de omstandigheden die in dit verband in aanmerking moeten worden genomen, behoort tevens de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden, die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn. 1.3. De kantonrechter oordeelt tegen deze achtergrond dat Furniture Brothers de overeenkomst met [Eiser] heeft gesloten. Daarom is Furniture Brothers gehouden de factuur aan [Eiser] te betalen. Het volgende is daarvoor redengevend. 1.4. Vast staat dat Furniture Brothers al meerdere jaren via [naam 2] leveranties hout, afkomstig uit Oekraïne, heeft besteld en geleverd gekregen. [naam 2] heeft toegelicht dat hij deze leveranties nooit rechtstreeks aan Furniture Brothers heeft gedaan, maar altijd via een tussengeplaatste vennootschap. In het verleden is dit ook Everdina geweest. Everdina heeft daarvoor, tot november 2024 gefactureerd aan Furniture Brothers en is daarvoor door Furniture Brothers betaald. Op 4 november 2024 heeft [naam 2] Furniture Brothers echter per e-mail meegedeeld dat hij een samenwerking was aangegaan met [bedrijf] (een handelsnaam van [Eiser] ) en dat die ook zou factureren. 1.5. Vast staat dat [Eiser] daarna voor de leveranties van na november 2024 steeds heeft gefactureerd aan Furniture Brothers. Furniture Brothers heeft deze facturen (zeven in totaal) tot en met maart 2025 ook steeds aan [Eiser] betaald. Alleen de factuur van 23 april 2025 is aan Everdina betaald. Desgevraagd heeft Furniture Brothers niet kunnen uitleggen waarom zij de factuur van 23 april 2025 van [Eiser] ( [bedrijf] ) toch heeft betaald aan Everdina. Zij heeft alleen gesteld dat zij een overeenkomst met Everdina had voor deze bestelling, maar onderbouwt dat verder niet. Dat had wel op haar weg gelegen, vooral waar [Eiser] heeft gesteld dat de bestelling die ten grondslag lag aan de factuur van 23 april 2025 op exact dezelfde wijze is gedaan als de bestellingen die zijn uitgemond in de facturen van november 2024 tot en met maart 2025. Het lijkt dan ook dat Furniture Brothers – zoals [Eiser] gemotiveerd stelt – zich heeft vergist met de betaling aan Everdina. 1.6. Hoe dan ook, Furniture Brothers heeft onder de hiervoor geschetste omstandigheden niet kunnen aannemen dat zij voor de leverantie waar de factuur van 23 april 2025 betrekking op heeft een overeenkomst met Everdina had. 1.7. Het enkele feit dat onder de e-mails van [naam 2] aan Furniture Brothers de naam en de bedrijfsgegevens van Everdina staan vermeld maakt dit niet anders. De inhoud van de e-mail van 4 november 2024 is duidelijk: vanaf dat moment zou [Eiser] gaan factureren en partijen hebben zich daarna ook overeenkomstig gedragen. 1.8. Furniture Brothers zal dus de factuur van 23 april 2025 aan [Eiser] moeten betalen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente zoals gevorderd. 1.9. Ook zal Furniture Brothers de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten (€ 946,48) moeten betalen. [Eiser] heeft voldoende onderbouwd dat zij buitengerechtelijke incassokosten heeft moeten maken en de kosten zijn overeenkomstig de buitengerechtelijke incassokosten-staffel. De wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek (BW) zal daarover worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. 1.10. Furniture Brothers is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [Eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 122,35 - griffierecht € 1.461,00 - salaris gemachtigde € 864,00 (2 punten × € 432,00) - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.591,35 2 De beslissing De kantonrechter 2.1. veroordeelt Furniture Brothers om aan [Eiser] te betalen een bedrag van € 17.148,42, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag vanaf 27 april 2025 tot de dag van volledige betaling, 2.2. veroordeelt Furniture Brothers om aan [Eiser] te betalen een bedrag van € 946,48 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 26 september 2025 tot de dag van volledige betaling, 2.3. veroordeelt Furniture Brothers in de proceskosten van € 2.591,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Furniture Brothers niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 2.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 2.5. wijst af het meer of anders gevorderde. Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. S.P. Pompe en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter. HR 29 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1615.