ECLI:NL:RBAMS:2026:3400
beslissing RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht VI-zaaknummer: 99/001012-44 Parketnummer: 13/997046-15 Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van 18 maart 2026 op de vordering van het Openbaar Ministerie ex artikel 6:6:8 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) (oud) tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna: v.i.) van: [veroordeelde] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in de [naam PI] , hierna te noemen: veroordeelde. 1 Het onderzoek ter terechtzitting De beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 maart 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. Z. Trokic, en van wat de veroordeelde en zijn raadsvrouw, mr. E.M. Geboers, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de volgende stukken: - het v.i.-advies van DJI Lelystad van de (plv) vestigingsdirecteur van de Penitentiaire Inrichting (hierna: PI) van 22 januari 2026; - het reclasseringsadvies van 3 februari 2026; - een uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) betreffende veroordeelde d.d. 24 februari 2026; en - het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis van rechtbank Midden-Nederland van 2 september 2025. 2 Procesgang Bij het onherroepelijk geworden arrest van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam van 11 maart 2019 is de veroordeelde in het onderzoek ‘26Koper’ veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertien jaren voor het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor moord, het medeplegen van het voorhanden hebben van vuurwapens en het meermaals medeplegen van opzetheling. De tenuitvoerlegging van deze straf is met ingang van 15 juli 2015 gestart. Op 13 februari 2024 is de veroordeelde in verzekering gesteld in verband met het onderzoek Lucifer (parketnummer 16/0101245-23) en op 28 februari 2024 heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen. In dit onderzoek wordt de veroordeelde verdacht van betrokkenheid bij verschillende liquidaties. Bij beslissing van de rechtbank Amsterdam van 1 maart 2024 is de v.i. van de veroordeelde uitgesteld voor de duur van 180 dagen. Bij beslissing van 2 september 2025 heeft de rechtbank Midden-Nederland met betrekking tot de voorlopige hechtenis in verband met het onderzoek Lucifer, bevolen dat de voorlopige hechtenis van verdachte wordt geschorst met ingang van 3 september 2025 met het uitsluitende doel de executie te ondergaan van het restant van de straf, opgelegd bij arrest van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam van 11 maart 2019. Op grond van artikel 6:2:10 (oud) en 6:2:11 Sv (oud) en gelet op het voorgaande is de v.i. datum van de veroordeelde thans 29 maart 2026. In het geval van een voorwaardelijke invrijheidstelling op 29 maart 2026 zou het strafrestant 1402 dagen en de v.i.-proeftijd 1402 dagen bedragen. De officier van justitie heeft een vordering ingediend die ertoe strekt dat de v.i. per die datum zal worden uitgesteld met een termijn van 240 dagen. De schriftelijke vordering van het openbaar ministerie is op 13 februari 2026 op de griffie van de rechtbank Amsterdam ontvangen. 3 De inhoud van de vordering De vordering van de officier van justitie houdt kort gezegd in dat de v.i. met 240 dagen wordt uitgesteld, omdat het recidiverisico onvoldoende kan worden ingeperkt door het stellen van voorwaarden. Daartoe is door de officier van justitie het volgende opgemerkt. Uit de recente adviezen van de reclassering en de directeur van de PI blijkt dat ten opzichte van de eerdere adviezen van januari 2024 en februari 2024 geen wezenlijke verandering wordt geconstateerd voor wat betreft de risico’s en de (on)mogelijkheden om die risico’s in te perken, door het stellen van bijzondere voorwaarden aan de v.i. van de veroordeelde. Vanwege de ernst van de veroordeling en de nieuwe verdenkingen in het onderzoek Lucifer, het zeer risicovolle netwerk waar de veroordeelde onderdeel van uitmaakt(e) en op basis van de beschikbare veiligheidsinformatie, blijft de reclassering afgeschermd werken. Aangezien de reclassering afgeschermd moet werken, kan er geen uitvoering worden gegeven aan eventueel op te leggen bijzondere voorwaarden. De reclassering onthoudt zich daarom van advies. De directeur van de PI adviseert de v.i. van de veroordeelde achterwege te laten gezien de ernstige zorgen ten aanzien van de risico’s en de ernst van de feiten waarvoor hij nu in het onderzoek Lucifer wordt vervolgd. Volgens de officier van justitie is het op dit moment niet mogelijk om op een verantwoorde wijze invulling te geven aan een voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelde. De risico’s kunnen niet worden ingeschat en bijzondere voorwaarden kunnen niet worden geformuleerd. Daarbij ziet de reclassering geen mogelijkheden om verantwoord toezicht te kunnen houden. De officier van justitie acht het noodzakelijk om de uitkomst van de strafzaak Lucifer af te wachten zodat daarna door de reclassering opnieuw geadviseerd kan worden over eventuele risico’s en het beperken en beheersen daarvan door het stellen van voorwaarden. Op 13 juli 2026 zal door de rechtbank uitspraak worden gedaan in de strafzaak Lucifer. Om de reclassering voldoende tijd te geven om een rapport op te stellen en daaropvolgend dit rapport te kunnen beoordelen, wordt een uitstel van de v.i. gevorderd van 240 dagen. 4 De beoordeling 4.1. De v.i.-regeling De officier van justitie heeft de vordering ingediend met inachtneming van de daarop betrekking hebbende artikelen zoals die luidden voor inwerkingtreding van de Wet Straffen en Beschermen op 1 juli 2021. Artikel IV van de Wet Straffen en Beschermen bepaalt dat artikel III van deze wet geen gevolgen heeft voor veroordelingen tot vrijheidsstraf die door de rechtbank of het gerechtshof zijn uitgesproken voor inwerkingtreding van deze wet. De onderhavige beslissing is genomen met inachtneming van de artikelen zoals die luidden voor inwerkingtreding van de Wet Straffen en Beschermen. Volgens de oude v.i.-regeling geldt als uitgangspunt dat een veroordeelde, als is voldaan aan het bepaalde in artikel 6:2:10 Sv (oud), vervroegd in vrijheid wordt gesteld na het ondergaan van het in dit artikel omschreven deel van de gevangenisstraf. Op grond van het bepaalde in artikel 6:2:12 Sv (oud) kan de v.i. echter worden uitgesteld of achterwege blijven als een of meer van de in dat artikel limitatief opgesomde omstandigheden zich voordoen. Deze beslissing wordt genomen door de rechtbank, op vordering van de officier van justitie. 4.2. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering tot uitstel van de v.i. gehandhaafd. De officier van justitie heeft daartoe - kort gezegd - aangevoerd dat uit het reclasseringsadvies van 3 februari 2026 blijkt dat de veroordeelde weliswaar aangeeft bereid te zijn meer informatie te geven over het delict en zijn netwerk, maar dat die informatie niet ertoe zal leiden dat in dit stadium alsnog uitvoering kan worden geven aan een toezicht vanwege het besluit van de reclassering om afgeschermd te werken. Pas na de uitspraak op 13 juli 2026 en nadat meer informatie beschikbaar is gekomen over het netwerk van veroordeelde kan door de reclassering worden gekeken naar de mogelijkheden van integratie in een passende omgeving met controle en toezicht. 4.3. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidsstelling dient te worden afgewezen omdat er geen sprake is van een weigeringsgrond op grond van artikel 6:2:12 lid 1 sub d Sv, op basis waarvan de v.i. van de veroordeelde kan worden uitgesteld. Uit het reclasseringsadvies van 3 februari 2026 blijkt dat de reclassering geen meerwaarde ziet in bijzondere voorwaarden. De veroordeelde komt over als zelfredzaam en zelfbepalend. In het geval dat er bijzondere voorwaarden zouden worden opgelegd kan hier door de reclassering geen uitvoering aan worden gegeven omdat de reclassering afgeschermd moet werken.