ECLI:NL:RBAMS:2026:3656
RECHTBANK AMSTERDAM Parketnummer: 13/125242-23 (tussentijdse toetsing ISD-maatregel) BESLISSING Deze rechtbank heeft op 30 augustus 2023 de maatregel tot plaatsing in een instelling voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren opgelegd aan: [veroordeelde] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1972, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in de [P.I.] , hierna: de veroordeelde. 1 Procesgang De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder: het vonnis van deze rechtbank van 30 augustus 2023; het verzoek ex artikel 6:6:14 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering van de veroordeelde en zijn raadsvrouw, mr. J. van Koesveld, om een tussentijdse toetsing van de ISD-maatregel van 20 januari 2026; een uittreksel Justitiële Documentatie betreffende de veroordeelde van 16 februari 2026; het voortgangsverslag van 9 maart 2026, opgesteld door mevrouw [naam 1] (plaatsvervangend vestigingsdirecteur van de [P.I.] ) en de heer [naam 2] (senior casemanager ISD van de [P.I.] ). De rechtbank heeft op 26 maart 2026 de officier van justitie, mr. W. van Veen, de veroordeelde, zijn raadsvrouw, mr. J. van Koesveld, advocaat te Utrecht, alsmede de deskundige de heer [naam 2] , verbonden aan de [P.I.] , op de openbare terechtzitting gehoord. 2 Beoordeling Gelet op het op de openbare terechtzitting gedane uitdrukkelijke verzoek van de veroordeelde om zijn verzoek tot een tussentijdse toetsing van de ISD-maatregel in te trekken, is de rechtbank van oordeel dat hij geen belang meer heeft bij de behandeling van het verzoek en dat de veroordeelde daarom niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Daarom wordt als volgt beslist. Gezien artikel 6:6:14 van het Wetboek van Strafvordering. 3 Beslissing De rechtbank verklaart de veroordeelde [veroordeelde] niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot tussentijdse toetsing van de ISD-maatregel. Deze beslissing is gegeven door mr. D. Bode, voorzitter, mrs. P.K. Oosterling - van der Maarel en D.P. Hein, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 april 2026.