Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2013-12-19
ECLI:NL:RBDHA:2013:19294
Bestuursrecht
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: AWB 13/22922 V-nr: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen [eiseres], geboren op [geboortedag] 1986, van Pakistaanse nationaliteit, eiseres (gemachtigde mr. A.A. Baldewsing), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder (gemachtigde mr. E. de Jong). Bij besluit van 21 januari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om verlening van een visum voor kort verblijf met als doel het bezoeken van haar echtgenoot afgewezen. Het daartegen ingestelde bezwaar is bij besluit van 26 augustus 2013 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Op 2 september 2013 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2013. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun voornoemde gemachtigden. Tevens was ter zitting aanwezig [referent] (referent). De rechtbank verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,- (zegge: honderd en zestig euro) aan eiseres te vergoeden; veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,- (zegge: negenhonderd en vierenveertig euro), te betalen aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Bakker, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.R. van Broekhoven, griffier. de griffier de rechter Afschrift verzonden op: Conc.: RvB Coll.: AS D: B VK Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open. 1.1. Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van Verordening (EG) nr. 562/2006 van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (hierna: Schengengrenscode) gelden - voor zover van belang - voor onderdanen van derde landen de volgende toegangsvoorwaarden voor een verblijf van ten hoogste drie maanden per periode van zes maanden: het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden kunnen staven, alsmede beschikken over voldoende middelen van bestaan, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of voor de doorreis naar een derde land, waar de toegang is gewaarborgd, dan wel in staat zijn deze middelen rechtmatig te verwerven. 1.2. Ingevolge artikel 32, eerste lid, onder a, sub ii, en onder b, van Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (hierna: Visumcode) wordt een visum - voor zover van belang - geweigerd indien de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond of indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. 2.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een visum voor kort verblijf, omdat een tijdige terugkeer naar Pakistan niet is gewaarborgd. Eiseres is op 30 augustus 2012 gehuwd met de in Nederland wonende referent. Eiseres heeft geen kinderen. Het is aannemelijk te achten dat de sociale binding van eiseres met Nederland, gelet op haar huwelijk, voor eiseres zwaarder weegt dan de sociale binding met Pakistan. Uit de stelling van eiseres dat zij zich in Nederland wenst voor te bereiden op het “Basisexamen inburgering buitenland”, blijkt genoegzaam dat eiseres vestiging bij haar echtgenoot in Nederland beoogt. Het behalen van dit examen geldt als voorwaarde voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel “verblijf bij echtgenoot/partner”. De voorbereiding op het examen is de verantwoordelijkheid van eiseres zelf. Niet is gebleken dat eiseres zorg heeft voor familieleden of in staat zou zijn om hen te onderhouden. Evenmin is gebleken dat sprake is van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die betrokkene ertoe zouden nopen tijdig naar Pakistan terug te keren. De ouders, broers en zussen van eiseres verblijven in Pakistan, echter alleen op grond hiervan kan niet worden aangenomen dat de sociale binding van eiseres met Pakistan zodanig sterk is dat de tijdige terugkeer gewaarborgd is te achten. Ook van een substantiële mate van economische binding van eiseres met Pakistan op grond waarvan terugkeer aannemelijk wordt geacht, is geen sprake. Eiseres is huisvrouw en wordt financieel onderhouden door haar echtgenoot vanuit Nederland. Er wordt dan ook getwijfeld aan het uiteindelijke reisdoel en de uiteindelijke verblijfsduur. Het bezwaar wordt kennelijk ongegrond verklaard, op grond waarvan wordt afgezien van het doen horen van eiseres. 2.2. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij zich wil onthouden van het verstrekken van valselijke informatie. In de toekomst is zijn voornemens om bij haar echtgenoot in Nederland te verblijven. Teneinde zich meer adequaat te kunnen voorbereiden op de inburgeringstoets is beoogd dat zij een periode in Nederland zal verblijven. Eiseres ondervindt problemen bij het zich zelfstandig eigen maken van het cursus materiaal. Eiseres kan in Nederland verblijven op het adres van haar echtgenoot. Ter meerdere zekerheid dat eiseres Nederland tijdig zal verlaten is referent bereid een bankgarantie van € 10.000,- te verstrekken, welk bedrag aan verweerder toekomt in het geval eiseres niet tijdig terugkeert. Tot slot stelt eiseres dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het doen horen. 3.1. De manier waarop aannemelijk kan worden gemaakt dat een tijdige terugkeer naar het land van herkomst is gewaarborgd, is niet in Europese regelgeving geregeld. Verweerder heeft in dit kader in paragraaf A2/4.3.3.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000, geldig tot 1 januari 2013, beleid ontwikkeld. De Vc 2000 is sindsdien gewijzigd, maar de rechtbank is niet gebleken dat verweerder deze handelwijze niet meer volgt. Deze paragraaf luidde - voor zover thans van belang - als volgt: “criteria voor visumverlening (kort verblijf) (…) Een van de basis criteria is het voorkomen van illegale immigratie (zie ook hoofdstuk V, § 1.4, GVI). Hierbij is het aan de visumaanvrager om aannemelijk te maken - zo nodig door middel van het overleggen van documenten – dat de tijdige terugkeer is gewaarborgd. Bij de beoordeling of de tijdige terugkeer voldoende gewaarborgd kan worden geacht, kunnen meerdere wegingsfactoren een rol spelen. De onderstaande factoren moeten in samenhang worden gezien, maar kunnen ook reeds op zichzelf leiden tot de conclusie dat de tijdige terugkeer onvoldoende is gewaarborgd: - het ontbreken van een (sterke) sociale en economische band van de visumaanvrager met het land van herkomst; - eerdere bezoeken van de visumaanvrager aan een of meer Schengenstaten, waarbij de regels omtrent de duur van het verblijf en aanmelding niet zijn gerespecteerd; - “ visumshoppen”: aanvrager die in een relatief korte tijd bij verschillende vertegenwoordigingen heeft getracht in het bezit gesteld te worden van een visum; - het overleggen van valse dan wel vervalste documenten bij de visumaanvraag; - het afleggen van valse of onjuiste verklaringen, ten einde de vertegenwoordiging ertoe te bewegen een visum te verstrekken; - gebruik maken van een minder geloofwaardige referent of garantsteller. Dit wil zeggen een persoon van wie vast staat dat deze eerder vreemdelingen heeft uitgenodigd dan wel hiervoor garant heeft gestaan die niet (tijdig) zijn teruggekeerd. De hierboven weergegeven opsomming is niet limitatief.” 3.2. De rechtbank stelt voorop dat de beoordeling van de aannemelijkheid van tijdige terugkeer naar het land van herkomst vol dient te worden getoetst. 3.3. De rechtbank is van oordeel dat eiseres een geringe sociale en economische binding heeft met het land van herkomst. Zij heeft daar immers geen baan, maar wordt financieel onderhouden door referent en heeft daarnaast niet de zorg voor familieleden of andere zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen. Een geringe sociale en economische binding vormt op zichzelf echter geen sterke omstandigheid op grond waarvan kan worden aangenomen dat niet aannemelijk is dat de aanvrager tijdig naar het land van herkomst of een derde land terugkeert (zie onder meer de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 15 november 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB9898). 3.4. Niet in geschil is dat eiseres (op termijn) langer verblijf in Nederland beoogt, zodat dit als vaststaand wordt aangenomen. Een beoogd langer verblijf kan worden gezien als contra-indicatie ter ontkrachting van de stelling dat de tijdige terugkeer bij een bezoek met een visum voor kort verblijf gewaarborgd is. Immers, niet kan worden uitgesloten dat het bezoek op basis van een visum voor kort verblijf wordt aangegrepen om in Nederland te blijven. Beoogd langer verblijf vormt op zichzelf echter evenmin een sterke omstandigheid op grond waarvan kan worden aangenomen dat niet aannemelijk is dat de aanvrager van een visum kort verblijf tijdig naar het land van herkomst of een derde land terugkeert. 3.5. De rechtbank is van oordeel dat eiseres het doel en de omstandigheden van haar verblijf in Nederland, te weten het willen bezoeken van haar echtgenoot en het voorbereiden van een inburgeringscursus, voldoende aannemelijk heeft gemaakt.