Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2013-06-21
ECLI:NL:RBDHA:2013:9880
Bestuursrecht
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 13/369 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juni 2013 in de zaak tussen [eiser] , te [plaats], eiser (gemachtigde: mr. A.M. Kramer), en de ambtenaar van de burgerlijke stand van Den Haag, verweerder (vertegenwoordigd door J.C. Jansen Verplanke en dr. H. Kokken). Eiser heeft beroep ingesteld tegen een besluit van 5 december 2012 (bestreden besluit) van verweerder inzake het handhaven van de weigering afschriften van een aantal geboorteakten af te geven. De zaak is behandeld op de zitting gehouden op 25 april 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Jansen Verplanke en dr. H. Kokken. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2013. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 1 Artikel 1:23b van het Burgerlijk wetboek (BW) luidt: 1. Een ieder is bevoegd zich door de ambtenaar die met de afgifte van afschriften en uittreksels van akten van de burgerlijke stand is belast, een uittreksel van een onder deze ambtenaar berustende akte van geboorte, van huwelijk, van registratie van een partnerschap, van omzetting van een huwelijk in een registratie van een partnerschap, van omzetting van een registratie van een partnerschap in een huwelijk of van overlijden te doen afgeven. Het uittreksel bevat de bij algemene maatregel van bestuur te vermelden gegevens, waaruit de afstamming van de persoon of personen waarop de akte betrekking heeft, niet blijkt. 2. Van de in het eerste lid bedoelde akten alsmede van de akten van erkenning of ontkenning van het vaderschap door de moeder wordt een afschrift slechts afgegeven indien de verzoeker aantoont dat hij bij de verkrijging een gerechtvaardigd belang heeft. Van andere akten die de in het eerste lid bedoelde ambtenaar onder zijn berusting heeft, wordt steeds een afschrift afgegeven. Dit afschrift bevat de bij algemene maatregel van bestuur te vermelden gegevens. 3. Een verzoek om afgifte van een uittreksel of een afschrift dient op een bepaalde persoon of bepaalde personen betrekking te hebben. 4. Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld al hetgeen overigens het opmaken en het verstrekken van afschriften en uittreksels betreft. Daarbij worden tevens regels gegeven voor het opmaken van uittreksels van akten die voor de inwerkingtreding van deze wet zijn opgemaakt. 5. Weigert de in het eerste lid bedoelde ambtenaar een afschrift of een uittreksel af te geven, dan verstrekt hij aan de aanvrager een schriftelijke opgave van de gronden voor zijn weigering. Het gerechtvaardigd belang genoemd in de eerste volzin van het tweede lid wordt aangenomen ten aanzien van: Personen op wie de akte betrekking heeft- Een gemachtigde van deze personen- Kinderen of ouders van de persoon waarop de akte betrekking heeft De erfgenamen- De echtgenoot of echtgenote- De geregistreerde partner- De wettelijk vertegenwoordiger- Degene die het nodig heeft in het kader van een gerechtelijke procedure- Degene die het nodig heeft in verband met een huwelijkssluiting/partnerschapsregistratie. 2 Eiser doet onderzoek naar de genealogie van de eigen familie. Hij onderzoekt de mannelijke en vrouwelijke lijn, plus broers en zuster, van vader en grootvader. Hij wenst ten behoeve van door hem te verrichten genealogisch onderzoek fotokopieën en geen uittreksels van een aantal geboorteakten van de burgerlijke stand te ontvangen omdat alleen met die wijze van informeren eiser zelf de spelling van de naam kan controleren. Bij het verstrekken van een uittreksel kunnen immers (spelling)fouten ontstaan. 3 Verweerder stelt zich op het standpunt op grond van artikel 1:23b, eerste lid, BW, alleen bevoegd te zijn tot het afgeven van uittreksels en afschriften van akten van de burgerlijke stand. Mede gelet op het bepaalde in artikel 26 Besluit burgerlijke stand 1994 en artikel 2 van de Wet rechten burgerlijke stand alsmede de bepalingen van het Legesbesluit akten burgerlijke stand, kan verweerder tegen betaling uittreksels en afschriften van akten van de burgerlijke stand afgeven. De wet en andere regelgeving voorziet niet in de afgifte van fotokopieën van akten van de burgerlijke stand. De wetgever heeft in dit verband het volgende aangegeven: “Het publiek kan de inhoud van akten slechts kennis nemen door zich afschriften of uittreksel te doen afgeven… De ambtenaar van de burgerlijke stand is dus niet bevoegd tot het afgeven van geschriften die in een andere vorm zijn opgemaakt dan die van een authentiek afschrift of uittreksel.” (TK, vergaderjaar 1990-1991, 21847, nr. 3, p. 29). Afschriften van akten van de burgerlijke stand bevatten meer informatie dan uittreksels. Ter waarborging van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer heeft de wetgever er evenwel voor gekozen om de verstrekking van afschriften van akten aan beperking onderhevig te laten zijn en worden in uittreksels de meest essentiële en minst privacygevoelige gegevens vermeld. Afschriften van akten van de burgerlijke stand worden gewoonlijk verstrekt door middel van een, door verweerder conform het origineel verklaarde, fotokopie van de originele akte. Naar het oordeel van verweerder moet – voordat verweerder kan overgaan tot het verstrekken van afschriften van de bedoelde geboorteakten – vaststaan dat eiser bij de verkrijging een gerechtvaardigd belang heeft als bedoeld in artikel 1:23b, tweede lid, BW. Verweerder heeft er op gewezen dat genealogisch onderzoek op zichzelf niet kan worden beschouwd als een belang dat de afgifte van een volledig afschrift rechtvaardigt. (TK vergaderjaar 1990-1991, 21847, nr. 3, p. 28). Verweerder stelt dat eisers opvatting dat een akte van geboorte van een (reeds overleden persoon) niet anders behandeld zou dienen te worden dan een akte van huwelijk of overlijden, en akten van reeds overleden personen helemaal niet onder de werking van het BW vallen en dus ook niet geraakt worden door artikel 1:23b BW geen steun vindt in de wet- en regelgeving. Verweerder concludeert dat eiser niet heeft aangetoond dat hij een gerechtvaardigd belang heeft bij de verkrijging van afschriften van de bedoelde geboorteakten. Dat in andere gemeenten de ambtenaar van de burgerlijke stand aan hem wel fotokopieën van akten van burgelijke stand heeft verstrekt brengt verweerder niet tot een andere conclusie. 4 De rechtbank overweegt als volgt. 4.1 De taken van de ambtenaar van de burgerlijke stand zijn beschreven in artikel 1:16 e.v. van het BW en daarmee staat vast dat de ambtenaar van de burgerlijke stand een bestuursorgaan is als bedoeld in artikel 1:1, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De memorie van toelichting bij het ontwerp van wet dat heeft geleid tot Boek 1 BW vermeldt dat aannemelijk is dat tegen de weigering om een afschrift of een uittreksel af te geven beroep op grond van de Wet Administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (Arob) openstaat (TK vergaderjaar 1990-1991, 21847, nr. 3, p. 29). Aangezien de bestuursrechtspraak neergelegd in de Awb beoogt om de bestuursrechtspraak op grond van de Wet Arob te vervolmaken en Boek 1 BW voor deze beslissingen niet voorziet in een andere rechtsgang, oordeelt de rechtbank dat de weigering tot afgifte van een afschrift of een uittreksel van een akte als bedoeld in de artikel 1:23b BW een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 8:1 van die wet. Daarmee staat vast dat de bestuursrechter bevoegd is te oordelen over de besluiten van verweerder. 4.2 De rechtbank stelt vast dat partijen niet betwisten dat artikel 1:23b BW voor de bevoegdheid van verweerder om afschriften van akten te verstrekken geen onderscheid maakt tussen akten van nog levende personen en van overleden personen. De rechtbank verstaat die bepaling aldus dat zij zowel op levende als overleden personen betrekking heeft, aangezien de wetgever zich over het maken van een onderscheid niet heeft uitgelaten, de bepaling is getroffen ter bescherming van het privéleven en eiser zijn andersluidend standpunt niet nader heeft gemotiveerd. 4.3 De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht het verzoek van eiser om een fotokopie van de door hem bedoelde geboorteakten heeft afgewezen op de grond dat een genealogisch onderzoek op zichzelf niet kan worden beschouwd als een belang als bedoeld in artikel 1:23b, tweede lid, BW.