Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2014-12-22
ECLI:NL:RBDHA:2014:16944
Strafrecht
Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige economische kamer Parketnummer: 09/994186-13 Datum uitspraak: 22 december 2014 Verstek (Verkort vonnis) De rechtbank Den Haag, rechtdoende in economische strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] [geboorteland]) op [geboortedag] 1983, thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande. De terechtzitting Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 8 december 2014. De officier van justitie mr. D.E. Kruimel heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding tenlastegelegde feit en gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 150.000,00, subsidiair de daarmee corresponderende vervangende hechtenis, waarvan € 30.000,00, subsidiair de daarmee corresponderende vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De tenlasteleggingAan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij [Bedrijf 1]), in de periode van 18 augustus 2011 tot en met 20 augustus 2012, althans in 2011 en/of 2012 en/of 2013, te Zoetermeer en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, (telkens) als beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkoper van goederen (edelstenen, edele metalen, sieraden of juwelen), voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag voor een bedrag van 15.000 Euro of meer, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk in strijd met de verplichting, geformuleerd in artikel 16 Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, 166, althans een groot aantal, in elk geval één of meer verrichte ongebruikelijk transactie(s), niet nadat het ongebruikelijke karakter van deze transactie(s) bekend is geworden heeft gemeld aan het meldpunt, immers heeft hij (telkens) opzettelijk geen melding gedaan van (onder meer), - een op of omstreeks 26 augustus 2011 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten een contante betaling van (in totaal) 50.970,05 Euro, door[Bedrijf 2] / [Bedrijf 3] (D-013), en/of - een op of omstreeks 17 november 2011 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten een contante betaling van (in totaal) 91.567,20 Euro, door[Bedrijf 2] / [Bedrijf 3] (D-078), en/of - een op of omstreeks 08 februari 2012 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten een contante betaling van (in totaal) 30.208,75 Euro, door [Bedrijf 2] / [Bedrijf 3](D-110), en/of - een op of omstreeks 10 mei 2012 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten een contante betaling van (in totaal) 42.714,38 Euro, door [Bedrijf 2] / [Bedrijf 3] (D-172), en/of - een op of omstreeks 06 augustus 2012 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten een contante betaling van (in totaal) 26.682,84 Euro, door[Bedrijf 2] / [Bedrijf 3] (D-179), en/of - een of meer andere ongebruikelijke transactie(s) (waarbij het contant te betalen bedrag 25.000 of meer bedraagt). De geldigheid van de dagvaarding Ingevolge artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Het tweede lid voegt daaraan toe dat de dagvaarding tevens de omstandigheden vermeldt waaronder het feit zou zijn begaan. Uit bestendige jurisprudentie volgt dat de beschrijving van het feit onvoldoende duidelijk is wanneer de tenlastelegging een onvoldoende geconcretiseerde feitenomschrijving behelst. De beschuldiging moet in voldoende precieze termen worden geformuleerd, zodat de verdachte daaruit kan begrijpen waarvoor hij zich moet verantwoorden, en zodat hij zich op een adequate wijze tegen de aanklacht kan verdedigen. In onderhavige zaak is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij – kort gezegd – opzettelijk in strijd met de verplichting geformuleerd in artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme 166 ongebruikelijke transacties niet heeft gemeld bij de Financial Intelligence Unit te Zoetermeer. Vijf van deze transacties zijn in de tenlastelegging feitelijk omschreven. De rechtbank is van oordeel dat uit de tenlastelegging onvoldoende duidelijk is welke 161 transacties naast de vijf nader omschreven transacties precies worden bedoeld. De rechtbank zal de dagvaarding ten aanzien van deze 161 niet nader omschreven transacties dan ook partieel nietig verklaren. De bewijsmiddelen De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel met een opgave daarvan, zal dit plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht. De bewezenverklaring Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat de verdachte het bij dagvaarding tenlastegelegde feit heeft begaan, te weten dat: hij, [Bedrijf 1], in de periode van 18 augustus 2011 tot en met 20 augustus 2012 te Zoetermeer en Rotterdam, telkens als beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkoper van goederen (edelstenen, edele metalen, sieraden of juwelen), voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag voor een bedrag van 25.000,00 euro of meer, meermalen, telkens opzettelijk in strijd met de verplichting, geformuleerd in artikel 16 Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, verrichte ongebruikelijke transacties, niet nadat het ongebruikelijke karakter van deze transacties bekend is geworden heeft gemeld aan het meldpunt, immers heeft hij telkens opzettelijk geen melding gedaan van - een op 26 augustus 2011 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten een contante betaling van in totaal 40.000,00 euro, door[Bedrijf 2]/ [Bedrijf 3] en - een op 17 november 2011 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten een contante betaling van in totaal 38.958,87 euro, door [Bedrijf 2] /[Bedrijf 3] en - een op 08 februari 2012 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten een contante betaling van in totaal 30.208,75 euro, door [Bedrijf 2] / [Bedrijf 3] en - een op 10 mei 2012 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten een contante betaling van in totaal 42.714,38 euro, door [Bedrijf 2] / [Bedrijf 3] en - een op 06 augustus 2012 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten een contante betaling van in totaal 26.682,84 euro, door[Bedrijf 2] / [Bedrijf 3] Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. De rechtbank: verklaart de dagvaarding nietig, voor zover de daarin ten laste gelegde transacties niet feitelijk zijn omschreven; verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt: opzettelijke overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, meermalen gepleegd; verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; veroordeelt de verdachte tot: een geldboete van € 150.000,00 (honderdvijftig duizend euro); bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen door hechtenis voor de tijd van 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen; bepaalt dat een gedeelte van die geldboete, groot € 30.000,00 (dertigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 185 (honderdvijfentachtig) dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het eind van de hierbij op 2 (twee) jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Dit vonnis is gewezen door mr. E. Rabbie, voorzitter, mr. M.L. Ruiter, rechter, mr. M. Enthoven, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.L.D. Timmermans, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 december 2014.