Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2014-07-23
ECLI:NL:RBDHA:2014:8914
Civiel recht
vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel (civiele bodemzaken), zittingsplaats Den Haag Vonnis van 23 juli 2014 in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak in de hoofdzaak met zaaknummer / rolnummer C/09/449901/ HA ZA 13-0979 van: de besloten vennootschap AMSTERDAM REAL ESTATE SERVICES BV, gevestigd te Amsterdam, kantoorhoudende te Utrecht, eiseres in de hoofdzaak, kantongemachtigde: Vesting Finance Incasso BV te Hilversum, civiele advocaat: géén advocaat gesteld na verwijzing door de kantonrechter, tegen 1de besloten vennootschap DE HAAGSCHE OLIFANT BV, 2. de heer [X], gevestigd / wonende te [woonplaats], gedaagden in de hoofdzaak, kantongemachtigde: mr. R.M. Köhne te Den Haag, civiele advocaat: mr. R.M Köhne te Den Haag, en in de vrijwaringszaak met zaaknummer / rolnummer C/09/463076 /HA ZA 14-0408 van: 1de besloten vennootschap DE HAAGSCHE OLIFANT BV, 2. de heer [X], gevestigd / wonende te [woonplaats], eisers in de vrijwaringszaak, advocaat: mr. R.M Köhne te Den Haag, tegen de heer [Y], wonende te [woonplaats], gedaagde in de vrijwaringszaak, niet verschenen, verstek verleend. De rechtsoverwegingen in beide procedures 1. De rechtbank heeft in de hoofdzaak kennis genomen van de volgende procestukken: de twee dagvaardingen van 10 januari 2013 tegen de eerste rolzitting van de kantonrechter te Den Haag van 23 januari 2013, met producties; de incidentele conclusie van 27 maart 2013, strekkende tot verwijzing naar de civiele rechter en tot oproeping in vrijwaring; de antwoordakte in de twee incidenten van 24 april 2013; het comparitievonnis van de kantonrechter van 19 juni 2013; het verwijzingsvonnis van de kantonrechter te Den Haag van 14 augustus 2013; het herstelvonnis van de kantonrechter te Den Haag van 28 augustus 2013; het vonnis in het vrijwaringsincident van de civiele rechter van 19 februari 2014; de conclusie van antwoord in de hoofdzaak van 2 april 2014; de faxbrief van de civiele griffier van 30 april 2014. 2. De rechtbank heeft in de vrijwaringszaak voorts kennis genomen van: de dagvaarding van 24 maart 2014 tegen de eerste rolzitting van de civiele rechter van 2 april 2014; het ter rolzitting van 2 april 2014 aan gedaagde in vrijwaring verleende verstek. 3. Ter civiele rolzitting van 21 mei 2014 heeft mr. Köhne vonnis gevraagd in de hoofdzaak. De rechtbank heeft de vonnisdatum in de hoofdzaak en in de daarmee nauw samenhangende vrijwaringszaak nader bepaald op vandaag, 23 juli 2014. 4. Eiseres in de hoofdzaak heeft bij dagvaarding gevorderd dat (de kantonrechter van) de rechtbank gedaagden in de hoofdzaak hoofdelijk zal veroordelen tot betaling aan haar van € 25.000,-, met nevenvorderingen. De hoofdvordering is gebaseerd op nakoming van een vaststellingsovereenkomst met een belang van € 30.000,- in hoofdsom, waarbij eiseres haar vordering bij de kantonrechter wegens de competentiegrens heeft beperkt tot € 25.000,- “onder uitdrukkelijke handhaving van haar rechten op het meerdere”. 5. De kantonrechter heeft in zijn verwijzingsvonnis van 14 augustus 2013 de eerste incidentele vordering van gedaagde in de hoofdzaak, die strekte tot verwijzing naar de civiele rechter wegens onder meer betwisting van de rechtstitel, op grond van de artikelen 71 en 93 Rv toegewezen. Bij herstelvonnis van 28 augustus 2013 heeft de kantonrechter een aantal formele verzuimen in zijn verwijzingsvonnis van 14 augustus 2013 hersteld en de procedure verwezen naar de civiele rolzitting van 11 september 2013 “voor beraad”. In zijn herstelvonnis heeft de kantonrechter de procespartijen ook alsnog gewezen op onder meer de verplichte procesvertegenwoordiging in civiele zaken door een advocaat en op de na verwijzing verschuldigde, ten opzichte van kantonzaken voor eiseres verhoogde en voor gedaagden alsnog verschuldigde, civiele griffierechten. 6. Ter eerste civiele rolzitting van 11 september 2013 na verwijzing heeft mr. Köhne zich tot advocaat voor gedaagden in de hoofdzaak gesteld. Kort nadien is het voor die gedaagden verschuldigde civiele griffierecht betaald. Na de verwijzing door de kantonrechter heeft zich echter voor eiseres in de hoofdzaak ter civiele rolzittingen van 11 en 25 september 2013 geen advocaat gesteld, en is mede daardoor ook niet het ten opzichte van kantonzaken verhoogde civiele griffierecht voor eiseres betaald. 7. Mr. Köhne heeft vervolgens ter rolzitting van 9 oktober 2013 vonnis gevraagd in het sinds 27 maart 2013 nog lopende tweede incident, dat strekte tot oproeping in vrijwaring. Om organisatorische redenen heeft de rechtbank dat vonnis in het vrijwaringsincident in de hoofdzaak pas gewezen op 19 februari 2014. Daarbij is de tweede incidentele vordering tot verlof voor dagvaarding in vrijwaring toegewezen en is de hoofdzaak verwezen naar de rolzitting van 2 april 2014 voor conclusie van antwoord. 8. Bij conclusie van antwoord van 2 april 2014 van mr. Köhne hebben gedaagden in de hoofdzaak vervolgens de vorderingen van eiseres in de hoofdzaak gemotiveerd doen weerspreken en geconcludeerd tot afwijzing daarvan, met proceskostenveroordeling van eiseres in de hoofdzaak en uitvoerbaar verklaring bij voorraad. Bij faxbrief van 30 april 2014 heeft de civiele griffier daarna aan eiseres in de hoofdzaak geschreven - aan het faxadres van haar kantongemachtigde met kopie aan mr. Köhne en met bevestigingen van faxontvangst – dat de procedure (nog) één week zou worden aangehouden “om de eisende partij de gelegenheid te geven om zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat”. Ook na die faxbrief heeft zich echter geen advocaat voor eiseres in de hoofdzaak gesteld, waarna mr. Köhne ter rolzitting van 21 mei 2014 tenslotte vonnis in de hoofdzaak heeft gevraagd. 9. Het ligt naar het oordeel van de rechtbank het meest voor de hand om in een zeldzaam geval als dit - zeldzaam omdat deze eiseres in de hoofdzaak zich na de verwijzing door de kantonrechter bij de civiele rechter niet heeft laten vertegenwoordigen door een in civiele zaken verplichte advocaat en mede daardoor ook niet het verschuldigde, ten opzichte van kantonzaken verhoogde, civiele griffierecht heeft betaald - aan eiseres in de hoofdzaak ontslag van instantie te verlenen op grond van artikel 127a Rv wegens het niet of niet tijdig betalen van het verschuldigde civiele griffierecht. 10. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 8 WGBZ moet echter worden afgeleid dat de wetgever toepassing van die voor de hand liggende procedurele sanctie door de civiele rechter na verwijzing door de kantonrechter niet heeft gewild. Kortheidshalve verwijst de rechtbank naar de memorie van toelichting op art. 8 WGBZ van de toenmalige minister, en voorts naar het vonnis van de rechtbank Arnhem van 19 december 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BY8412, in welke Arnhemse zaak zich na verwijzing verwante maar niet dezelfde zeldzame griffierechtproblemen voordeden als in deze Haagse zaak. Kennelijk geldt ook in relatief zeldzame gevallen als deze na verwijzing nog steeds het motto “eens verschenen blijft verschenen” (zie de wetsgeschiedenis op artikel 71 Rv) en moet de civiele rechter volgens de wetgever de procedure verder behandelen, ook al is dat in strijd met de strekking van de WGBZ dat de rechter de zaak niet (verder) in behandeling neemt indien niet tijdig de juiste griffierechten zijn betaald. - verklaart eiseres in de hoofdzaak niet-ontvankelijk in haar vorderingen in de hoofdzaak; - veroordeelt eiseres in de hoofdzaak tot betaling aan gedaagden in de hoofdzaak van in totaal € 2.415,- voor hun proceskosten in de hoofdzaak, en verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; - verklaart eisers in de vrijwaringszaak niet-ontvankelijk in hun regresvorderingen in de vrijwaringszaak; - bepaalt dat eisers in de vrijwaringszaak hun proceskosten in de vrijwaringszaak zelf zullen moeten dragen. Dit vonnis in beide zaken is gewezen door mr. H. Wien en in het openbaar uitgesproken op woensdag 23 juli 2014, in het bijzijn van de griffier.