ECLI:NL:RBDHA:2019:12614
Na heropening van het onderzoek bij tussenbeslissing van 13 augustus 2019 heeft de rechtbank de vordering op 5 november 2019 ter zitting behandeld.
De terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. E.A. Kazzaz-de Hoog, is gehoord. Tevens is de officier van justitie mr. P. de Mos gehoord.
Daarnaast is [naam reclasseringswerker] , als deskundige gehoord.
Het advies van de reclassering
Uit het voortgangsverslag van 8 oktober 2019 van de reclassering is gebleken dat afgelopen periode alles goed is verlopen, de terbeschikkinggestelde zich aan de voorwaarden heeft gehouden, hij stabiel functioneert en aan zijn toekomst werkt.
Deskundige [naam reclasseringswerker] heeft ter zitting naar voren gebracht dat de reclassering nog steeds staat achter haar advies de terbeschikkingstelling te beëindigen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter zitting gevorderd dat de rechtbank de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling afwijst. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de terbeschikkinggestelde op alle leefgebieden stabiel is en het risico op herhaling aanvaardbaar is.
Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsvrouw
De terbeschikkinggestelde heeft ter zitting verklaard dat het heel goed met hem gaat, hij zich altijd aan alle voorwaarden van de rechtbank heeft gehouden, hij al vijf jaar zelfstandig woont en hij zich weer als volwaardig burger in de maatschappij kan begeven.
De raadsvrouw heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij en haar cliënt zich aansluiten bij het standpunt van de officier van justitie en dat de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling moet worden afgewezen.
De vraag die voorligt is of de beveiliging van de maatschappij voortzetting van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.
Uit de adviezen alsmede uit de toelichting door de deskundige in raadkamer is naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam gebleken dat de behandeling van de terbeschikkinggestelde ertoe heeft geleid dat de kans op recidive tot een aanvaardbaar laag niveau is teruggebracht. De terbeschikkinggestelde heeft zich aan de voorwaarden gehouden, hij heeft goed meegewerkt met de reclassering en er is sprake van een stabiel beeld op alle leefgebieden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen niet langer verlenging van de terbeschikkingstelling eist en dat de terbeschikkingstelling dient te worden beëindigd. De vordering van de officier van justitie wordt dan ook afgewezen.
Beslissing van de rechtbank Den Haag, rechtdoende in strafzaken, op de vordering van de officier van justitie van 11 juni 2019, in de zaak van:
[de terbeschikkinggestelde] ,
geboren op [geboortedag] 1976 te [geboorteplaats] ,
verblijvende [adres] ,
onder verantwoordelijkheid van FPC De Oostvaarderskliniek te Almere,
(hierna: de terbeschikkinggestelde),
die bij vonnis van deze rechtbank van 25 maart 2002 ter beschikking is gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. Deze maatregel is voor het laatst bij beslissing van deze rechtbank van 24 juli 2018 met één jaar verlengd. Bij beslissing van 23 oktober 2018 is de verpleging van overheidswege onder voorwaarden beëindigd.
Aan de orde is de vordering van de officier van justitie om de terbeschikkingstelling met een termijn van één jaar te verlengen.
De zaak is voor het eerst op 30 juli 2019 ter zitting behandeld. Bij tussenbeslissing van
13 augustus 2019 heeft de rechtbank het onderzoek in de zaak heropend en voor onbepaalde tijd geschorst, met de bedoeling de zaak eind oktober/begin november 2019 weer ter zitting te behandelen. De reden hiervoor was dat weliswaar alle betrokken deskundigen adviseerden om de terbeschikkingstelling te beëindigen, maar dat nog niet was voldaan aan het vereiste van artikel 509t tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, namelijk dat de verpleging van overheidswege gedurende minimaal een jaar voorwaardelijk beëindigd moet zijn geweest. De rechtbank was van oordeel dat verlenging van de terbeschikkingstelling met één jaar zou betekenen dat de terbeschikkingstelling ruim negen maanden langer zou duren dan noodzakelijk en achtte dit disproportioneel. Daarom is de behandeling van de zaak ter terechtzitting van 5 november 2019 voortgezet, zodat de rechtbank op de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling kan beslissen terwijl aan de hiervoor genoemde voorwaarde dat de verpleging van overheidswege gedurende minimaal een jaar voorwaardelijk beëindigd is geweest, is voldaan. De rechtbank heeft de reclassering verzocht te rapporteren over het verloop van de periode tussen 30 juli 2019 en 5 november 2019.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken die zijn vermeld in de bijlage.
De rechtbank:
wijst de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling af.
Aldus beslist te Den Haag door:
mr. A.M. Boogers, voorzitter,
mr. M.M. Meessen, rechter,
mr. M.S. Neervoort, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. E.N.A. Wooning, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2019.
Bijlage
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 maart 2002, waarbij de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege werd gelast;
de tussenbeslissing van deze rechtbank van 13 augustus 2019, waarbij de behandeling van de zaak is heropend en de voorwaarden, zoals vastgelegd bij beslissing van 23 oktober 2018, zijn gewijzigd;
de voortgangsverslagen van 9 januari 2019 en 15 mei 2019 van Antes;
het verlengingsadvies voorwaardelijke beëindiging tbs “Advies aan opdrachtgever toezicht” van 3 mei 2019 van Antes;
het 3e voortgangsverslag toezicht aan opdrachtgever van 8 oktober 2019 van Antes;
het advies op grond van artikel 509o van het Wetboek van Strafvordering van psychiater J. Neeleman, van 6 april 2019;
de vordering van de officier van justitie, ingekomen op 11 juni 2019.