Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2020-03-31
ECLI:NL:RBDHA:2020:3109
Bestuursrecht
Rechtbank DEN Haag Bestuursrecht zaaknummer: SGR 20/1978 uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 maart 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening van [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde mr. J. Biemond), tegen de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder. Verzoekster heeft op 10 maart 2020 telefonisch vernomen dat haar rijbewijs is ingevorderd conform artikel 28a van de Wet Administratief rechtelijke handhaving Verkeersvoorschriften (WAHV) dan wel dat het kenteken van haar personenauto buiten gebruik gesteld is conform artikel 28b van de WAHV. Verzoekster heeft daartegen bij brief van 10 maart 2020 bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening. Het verzoek is met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesloten. Dit houdt in dat uitspraak zal worden gedaan zonder onderzoek ter zitting. De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd. Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier, op 31 maart 2020. griffier voorzieningenrechter Als gevolg van de maatregelen rondom het Coronavirus is deze beslissing niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op rechtspraak.nl. Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek zich richt tegen een invordering van het rijbewijs als bedoeld in artikel 28a van de WAHV dan wel buitengebruikstelling als bedoeld in artikel 28b van de WAHV. Ingevolge artikel 8:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage kan geen beroep worden ingesteld tegen besluiten die worden genomen op grond van de WAHV. Het verzoek dient daarom te worden beoordeeld in het kader van de WAHV. Tot die beoordeling is de kantonrechter bevoegd.