Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2022-09-21
ECLI:NL:RBDHA:2022:15590
Bestuursrecht
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 22/5237 uitspraak als bedoeld in artikel 46b van de Wet op de rechterlijke organisatie in de zaak van: [eisers] e.a., te [woonplaats], eisers en het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg, verweerder. Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] B.V. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van: het beroepschrift van 24 augustus 2022, ingekomen op 24 augustus 2022: de door eiser [eisers] ingezonden volmachten van de overige eisers. De rechtbank: verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rechtbank Rotterdam, om door deze verder te worden behandeld en beslist. Aldus vastgesteld door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van A. Jansen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 september 2022. De griffier is verhinderd om te tekenen rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak. 1. In artikel 46b van de Wet op de rechterlijke organisatie is het volgende bepaald: “De rechtbank kan een zaak ter verdere behandeling verwijzen naar een andere rechtbank, indien naar haar oordeel door betrokkenheid van de rechtbank behandeling van die zaak door een andere rechtbank gewenst is.” 2. Eiser [eisers] vertegenwoordigt in deze zaak mede eiseres [eiseres] . Laatstgenoemde is rechter bij de rechtbank Den Haag. 3. Hieruit volgt dat (thans) sprake is van “betrokkenheid van de rechtbank” als bedoeld in artikel 46b van de Wet op de rechterlijke organisatie. De rechtbank acht daarom behandeling van de zaak door een andere rechtbank gewenst. 4. De rechtbank zal de zaak in de stand waarin deze zich bevindt daarom ambtshalve verwijzen naar de rechtbank Rotterdam.