ECLI:NL:RBDHA:2022:7804
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 21/7894 en SGR 21/7907
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juli 2022 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
De bestreden uitspraken op bezwaar
De uitspraken van verweerder van 1 november 2021 op de bezwaren van eiser tegen de betalingen op aangifte van motorrijtuigenbelasting over de tijdvakken 17 mei 2021 tot en met 16 augustus 2021 en 17 augustus 2021 tot en met 16 november 2021.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2022.
Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en [B] .
1. Eiser is vanaf 6 januari 2020 houder van een Volvo, type V70 met kenteken [kenteken] (de auto).
2. Met ingang van 17 januari 2020 wordt de motorrijtuigenbelasting maandelijks via automatische incasso bij eiser afgeschreven. Eiser heeft de motorrijtuigenbelasting over de tijdvakken 17 mei 2021 tot en met 16 augustus 2021 en 17 augustus 2021 tot en met 16 november 2021 op aangifte voldaan.
3. In geschil is of de provinciale opcenten over vorengenoemde tijdvakken terecht van eiser zijn geheven.
4. Eiser stelt dat de heffing van provinciale opcenten onterecht is, omdat in de Provinciewet gediscrimineerd wordt binnen de groep personenauto’s, binnen de groep van belastingplichtigen en binnen de groep van motorrijtuigenbelastingplichtigen. Ook stelt eiser dat de hoogte van de provinciale opcenten ten onrechte per provincie verschilt. Volgens eiser is het voorgaande in strijd met artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Tevens stelt eiser dat bij de naheffing van motorrijtuigenbelasting ten onrechte de hoogste provinciale opcenten worden gerekend, de provinciale opcenten onterecht zijn geheven wegens fouten in de Eerste Uitvoeringsbeschikking provinciale opcenten (de EUPO), dat de lagere regelgeving onverbindend is wegens strijd met hogere regelgeving en dat de lagere wetgeving niet van toepassing is op basis van exceptieve toetsing.
5. Verweerder heeft de stellingen van eiser gemotiveerd weersproken.
Discriminatie binnen de belastingwetgeving
6. Vooropgesteld moet worden dat artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR, in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, doch alleen die welke als discriminatie moeten worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Dit betekent dat alleen sprake is van discriminatie indien het gemaakte onderscheid geen gerechtvaardigde doelstelling heeft of indien er geen redelijke verhouding bestaat tussen de maatregelen die het onderscheid maakt en het daarmee beoogde gerechtvaardigde doel. Hierbij verdient opmerking dat op fiscaal gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of voor de toepassing van artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. Indien het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd, tenzij de keuze van de wetgever evident van redelijke grond ontbloot is.
Doorwerking naar de Provinciewet
7. Voor zover eiser heeft gesteld dat ten aanzien van de verschillen in heffing tussen verschillende soorten auto’s, belastingplichtigen en motorrijtuigenbelastingplichtigen geen automatische doorwerking vanuit de Wet op de Motorrijtuigenbelasting 1995 (Wet MRB) had mogen plaatsvinden naar de Provinciewet, overweegt de rechtbank het volgende. Uit de Memorie van Toelichting behorende bij de invoering van het heffen van de provinciale opcenten ten aanzien van de motorrijgenbelasting volgt dat de wetgever heeft besloten een deel van de opbrengsten die voortvloeien uit de motorrijtuigenbelasting aan de provincies te laten toekomen. Daarbij geldt dat de Provinciale Staten gerechtigd zijn dat deel van de motorrijtuigenbelasting te heffen, waarvan de centrale overheid af ziet. Het heffen van de provinciale opcenten is dan ook een doorwerking van dan wel aanvulling op de heffing van motorrijtuigenbelasting, waarbij de Provinciale Staten slechts binnen de kaders van de Provinciewet het tarief kunnen bepalen. Voor wat betreft de lagere heffing van bepaalde groepen auto’s, belastingplichtigen en motorrijtuigenbelastingplichtigen volgen de Provinciale Staten dan ook de regels die daaromtrent zijn gemaakt door de centrale wetgever. De rechtbank kan eiser dan ook niet volgen in zijn stelling dat geen afweging heeft plaatsgevonden ten aanzien van de tariefdifferentiaties van de provinciale opcenten. De afwegingen die hebben plaatsgevonden ten aanzien van de Wet MRB hebben immers op grond van het voorgaande ook voor de Provinciewet te gelden.
Personenauto’s met geen of een verlaagde CO₂-uitstoot
8. Eiser heeft gesteld dat binnen de groep personenauto’s ten onrechte geen provinciale opcenten worden geheven van personenauto’s met een CO₂-uitstoot van 0 gram per kilometer en ten onrechte de helft van de provinciale opcenten wordt geheven van personenauto’s met een CO₂-uitstoot van meer dan 0 gram per kilometer en niet meer dan 50 gram per kilometer.
9. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat het nihiltarief en gehalveerde tarief ten aanzien van de ze zogenoemde zuinige auto’s tot doel heeft om het gebruik van dit soort auto’s te stimuleren. Daarbij overweegt de rechtbank dat dergelijke milieuvriendelijke auto’s niet als gelijk kunnen worden beschouwd aan auto’s met een traditionele motor. De keuze van de wetgever om deze groep auto’s vrij te stellen van het heffen van motorrijtuigenbelasting dan wel de motorrijtuigenbelasting te halveren is dan ook – voor zover al sprake had geweest van gelijke gevallen – geen keuze die evident van redelijke grond is ontbloot.
Bestelauto’s, vrachtauto’s en autobussen
10. Eiser heeft gesteld dat het niet heffen van opcenten van bestelauto’s, vrachtauto’s en autobussen discriminatoir is ten opzichte van het heffen van opcenten van personenauto’s. De rechtbank stelt voorop dat personenauto’s niet gelijk zijn aan bestelauto’s, vrachtauto’s en autobussen. Van gelijke gevallen is dan ook geen sprake.
11. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de wetgever vrachtauto’s en bestelauto’s heeft uitgesloten van het heffen van opcenten omdat de wetgever, gezien de moeilijke economische positie van het beroepsgoederenverkeer, het wenselijk achtte voor deze bedrijfstak de heffing voor te behouden aan de centrale overheid. Voor zover al sprake had geweest van gelijke gevallen, is het verschil in heffing van vorengenoemde groepen ten opzichte van personenauto’s geen keuze van de wetgever die van redelijke grond is ontbloot. Daarbij is het niet aan de rechtbank, maar aan de wetgever om dergelijke wetgeving te wijzigen.
12. Voor zover eiser stelt dat het verschil in de heffing van motorrijtuigenbelasting over personenauto’s en bestelauto’s van een ondernemer als bedoeld in artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (wet OB) dan wel het verschil in heffing tussen bestelauto’s van een particulier en van een ondernemer als bedoeld in artikel 7 van de Wet OB discriminatoir is, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Hoge Raad van 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3371. In deze uitspraak heeft de Hoge Raad reeds besloten dat het gelijkheidsbeginsel zich niet verzet tegen een regeling die een verschillende fiscale behandeling kent van binnen de ondernemingssfeer gebruikte en binnen de privésfeer gebruikte goederen. Ten aanzien van de provinciale opcenten is tussen deze groepen geen onderscheid in heffing gemaakt, omdat iedere bestelauto – mits een dergelijk voertuig niet is gelijkgesteld met een personenauto op grond van artikel 3 van de Wet MRB – is vrijgesteld van de heffing van de provinciale opcenten.
Naheffingsaanslag
13. Eiser heeft gesteld dat in het geval van een naheffingsaanslag motorijtuigenbelasting ten onrechte het hoogste tarief aan provinciale opcenten wordt nageheven. In het onderhavige geval zijn geen naheffingsaanslagen aan eiser opgelegd en zijn dan ook geen naheffingsaanslagen in het geschil.