Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2025-03-04
ECLI:NL:RBDHA:2025:4100
Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 24/2368 uitspraak van de meervoudige kamer van 4 maart 2025 in de zaak tussen [eiseres] B.V, gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: dr. A. Rozendal), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Eiseres heeft op aangifte overdrachtsbelasting voldaan en heeft bezwaar gemaakt tegen deze voldoening op aangifte. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 22 december 2023 het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2025. Namens eiseres zijn haar gemachtigde, [naam 1] en [naam 2] verschenen. Namens verweerder zijn [naam 3] en [naam 4] verschenen. Overwegingen Feiten 1. De heer [naam 1] (A) en mevrouw [naam 5] (B) zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. Zij hebben vier kinderen: twee zonen [naam 2] (C) en [naam 6] (D) en twee dochters [naam 7] (E) en [naam 8] (F). 2. A en B waren tot 28 december 2022 enig aandeelhouder van [eiseres] B.V. (Beheer oud). Beheer oud hield alle aandelen in [bedrijfsnaam 1] B.V., [bedrijfsnaam 2] B.V., [bedrijfsnaam 3] B.V. en [bedrijfsnaam 4] B.V. (de onroerend goed B.V.’s). 3. De onroerend goed B.V.’s hebben, met uitzondering van [bedrijfsnaam 1] B.V., een 5% belang in de werkmaatschappijen [bedrijfsnaam 5] B.V., [bedrijfsnaam 6] B.V. en [bedrijfsnaam 7] B.V. (de werkmaatschappijen). De werkmaatschappijen houden zich bezig met de exploitatie van tuincentra. 4. De andere 95% van de aandelen in de werkmaatschappijen wordt gehouden door [bedrijfsnaam 8] BV. De aandelen in deze beheermaatschappij worden via een personal holding gehouden door C en D (ieder voor 50%). 5. Beheer oud heeft bij notariële akte van 28 december 2022 een afsplitsing in de zin van titel 7 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW), te weten artikel 2:334a, lid 3 van het BW, tot stand gebracht. Hierbij is een nieuwe (dochter) B.V. opgericht, genaamd [eiseres] B.V. (eiseres), waarbij Beheer oud alle aandelen in eiseres houdt. Gelijktijdig is de naam van Beheer oud gewijzigd in [bedrijfsnaam 9] B.V. ( [bedrijfsnaam 9] . BV). Het geplaatste aandelenkapitaal in de onroerend goed B.V.’s is door eiseres van [bedrijfsnaam 9] . B.V. verkregen. Ter zake van deze verkrijging is over de waarde van de onroerende zaken (totaal € 16.525.000) overdrachtsbelasting voldaan, te weten € 1.322.000. Of de voldoening van dit bedrag aan overdrachtsbelasting terecht is, ligt in deze procedure bij de rechtbank voor. 6. Bij notariële akte van (af)splitsing van eveneens 28 december 2022 is een deel van het vermogen van [bedrijfsnaam 9] . B.V. afgesplitst en zijn vier B.V.’s (de vier B.V’s) opgericht waarin dat vermogen is verkregen. De aandelen van de vier B.V.’s zijn verkregen door A en B. Deze (certificaten van) aandelen zijn vervolgens geschonken aan C, D, E en F. Genoemde afsplitsing en verkrijgen van de (certificaten van) aandelen door C, D, E en F maken geen onderdeel uit van onderhavige procedure. Geschil 7. In geschil is of terecht een bedrag van € 1.322.000 aan overdrachtsbelasting door eiseres is voldaan ter zake van de verkrijging van het geplaatste aandelenkapitaal in de onroerend goed B.V. ‘s. Tussen partijen is niet in geschil dat dat de onroerend goed B.V.’s voldoen aan de bezitseis van artikel 4, eerste lid, onder a van de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (WBR). Of voldaan wordt aan de doeleis van dit artikel is wel in geschil. 8. Eiseres stelt dat ten onrechte overdrachtsbelasting is voldaan ter zake van de verkrijging van het geplaatste aandelenkapitaal in de onroerend goed B.V.’s. Volgens eiseres is de toerekeningsbepaling van artikel 4, vierde lid, onder a van de WBR van toepassing op de aandelenbelangen die de onroerend goed BV’s houden in de werkmaatschappijen. Hierdoor zijn de onroerende zaken van de onroerend goed BV’s niet dienstbaar aan de exploitatie van die onroerende zaken. Dit betekent dat de aandelen in de onroerend goed BV’s niet zijn aan te merken als fictieve onroerende zaken als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a van de WBR en daarmee niet is voldaan aan de doeleis. 9. Verweerder stelt dat door eiseres op 28 december 2022 terecht overdrachtsbelasting is voldaan. De onroerend goed B.V.’s kwalificeren volgens verweerder als fictieve onroerende zaken ingevolge artikel 4, eerste lid, onder a, van de WBR. Verweerder stelt zich op het standpunt dat naast de bezitseis ook voldaan aan is de doeleis van dat artikel. Beoordeling van het geschil 10. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de WBR wordt overdrachtsbelasting geheven ter zake van de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken of van rechten waaraan deze zijn onderworpen. 11. Ingevolge artikel 4, eerste lid, letter a van de WBR wordt als verkrijging van onroerende zaken mede aangemerkt de verkrijging van aandelen in rechtspersonen waarvan de bezittingen op het tijdstip van de verkrijging of op enig tijdstip in het daaraan voorafgaande jaar, grotendeels bestaan of hebben bestaan uit onroerende zaken en tegelijkertijd ten minste 30% van de bezittingen bestaat of heeft bestaan uit in Nederland gelegen onroerende zaken, mits de onroerende zaken, als geheel genomen, op dat tijdstip geheel of hoofdzakelijk dienstbaar zijn of waren aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van die onroerende zaken.Rechtspersonen die aan de voorwaarden van dit artikel voldoen worden aangeduid als Onroerende zaak rechtspersoon (OZR). 12. Artikel 4, vierde lid, onder a van de WBR (de consolidatieregeling) luidt als volgt: “Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a heeft, wanneer een rechtspersoon, al dan niet tezamen met een tot hetzelfde concern als gedefinieerd krachtens artikel 15, eerste lid, onderdeel h, behorend lichaam, of met een natuurlijk persoon die, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot of zijn bloed- en aanverwanten in de rechte linie, een geheel of nagenoeg geheel belang heeft in de rechtspersoon, voor ten minste een derde gedeelte een belang bezit of heeft bezeten in een ander lichaam, bij het bepalen van zijn bezittingen naar evenredigheid toerekening plaats van de bezittingen en schulden van het andere lichaam;” 13. In de Memorie van Toelichting is aangaande artikel 4, vierde lid, onder a van de WBR onder meer het volgende opgenomen: “Indien een lichaam, waarvan vastgesteld moet worden of zijn bezittingen grotendeels bestaan uit onroerende zaken, voor ten minste een derde gedeelte een belang heeft in een ander lichaam, worden de bezittingen en schulden van dat andere lichaam aan hem toegerekend. Om te bepalen of een lichaam voor een derde gedeelte een belang heeft in een ander lichaam, spelen de volgende belangen een rol: • het belang van de directe aandeelhouder, • het belang van andere concernvennootschappen en • het belang van een natuurlijk persoon die, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot of zijn bloed- en aanverwanten in de rechte linie, een geheel of nagenoeg geheel belang heeft in het lichaam, waarvan de aandelen worden verkregen. Hebben ze samen een derde belang of meer dan vindt toerekening plaats, uiteraard slechts voor het werkelijke belang dat het lichaam in het andere lichaam bezit.” 14. Eiseres neemt met betrekking tot de consolidatieregeling het standpunt in dat gelet op de bedoeling van de wetgever de bezittingen en activiteiten van de werkmaatschappijen aan de onroerend goed B.V.’s dienen te worden toegerekend. Het deel van de wettekst van artikel 4, vierde lid, onder a van de WBR, te weten “een natuurlijk persoon die, al dan niet tezamen met zijn echtgenoot of zijn bloed- en aanverwanten in de rechte linie, een geheel of nagenoeg geheel belang heeft in de rechtspersoon”, brengt volgens eiseres mee dat een natuurlijk persoon, in casu C en D, zelf geen belang in de rechtspersoon, de onroerend goed B.V.’s, hoeven te hebben. Volgens eiseres volstaat in dit geval dat de ouders van C en D (bloedverwanten in de rechte linie) het gehele belang hebben in de onroerend goed B.V.’s. 15.
Toegepaste wetsartikelen
- Artikel 1a — Wet op de vennootschapsbelasting 1969
- Artikel 102 — Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek
- Artikel 12 — Wet op de vennootschapsbelasting 1969
- Artikel 14 — Wet op de vennootschapsbelasting 1969
- Artikel 15 — Wet op de vennootschapsbelasting 1969
- Artikel 1 — Wet op de vennootschapsbelasting 1969