Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-04-01
ECLI:NL:RBDHA:2026:7086
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/8306 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 april 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. T.S. Brinkman), en de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Uwv) , verweerder (gemachtigde: B.M. de Wolff). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de hoogte van haar uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiseres is het daar niet eens met. Zij vindt dat de bedragen die zijn aangemerkt als reiskostenvergoeding welke zij ontving meegenomen dienen te worden bij de berekening van het dagloon. Aan de hand van wat eiseres in beroep tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank of de besluitvorming van het Uwv juist is. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de besluitvorming juist is en dat het Uwv het dagloon juist heeft vastgesteld. Eiseres krijgt dus geen gelijk en haar beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Met het primaire besluit van 23 mei 2024 heeft het Uwv aan eiseres een WIA-uitkering toegekend vanaf 17 juni 2024. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. Zij vindt dat het dagloon te laag is vastgesteld omdat zij naast salaris ook een aanvullende vergoeding ontving welke meegerekend dient te worden bij de berekening van het dagloon. 2.1. Met het bestreden besluit van 13 september 2024 heeft het Uwv het primaire besluit gehandhaafd en het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. 2.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: gemachtigde van eiseres en verweerder. Gronden eiseres 3. Eiseres voert aan dat uit de salarisspecificaties blijkt dat zij naast haar loon ook bedragen ontving die werden gepresenteerd als reiskostenvergoeding. Deze vergoedingen dekten echter geen daadwerkelijke reiskosten, maar fungeerden als verkapt loon. Aangezien zij geen reiskosten maakte, heeft de werkgever haar hiermee extra willen belonen voor haar werkzaamheden. De verstrekte vergoedingen dienen daarom meegenomen te worden bij de berekening van het dagloon van haar WIA-uitkering. Verder voert eiseres aan dat er na de hoorzitting in bezwaar direct een beslissing op bezwaar werd genomen. Dit was in tegenstelling tot de gemaakte afspraak dat eiseres nog nadere stukken zou kunnen sturen. Standpunt verweerder 4. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat reiskostenvergoedingen onbelast zijn en alleen toegestaan voor zakelijke kilometers. Als de werkgever ten onrechte een vergoeding als onbelast heeft aangemerkt kan de Belastingdienst dit corrigeren. Daarna pas zal de reiskostenvergoeding als loon worden aangemerkt en telt deze mee voor het SV-loon en dagloon. Voor zover het Uwv dit heeft kunnen beoordelen is deze correctie nog niet doorgevoerd door de Belastingdienst zodat het Uwv terecht de reiskosten buiten het dagloon heeft gehouden. Beoordeling door de rechtbank Hadden de reiskostenvergoedingen moeten worden meegenomen in de berekening van het dagloon? 5. De rechtbank moet beoordelen of het Uwv de bedragen die op de salarisspecificaties werden aangeduid als reiskostenvergoeding had moeten meenemen in de berekening van het dagloon van de WIA-uitkering van eiseres. 5.1. Artikel 14 van het Dagloonbesluit verwijst voor het loonbegrip voor de Wet WIA naar artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv), dat op zijn beurt verwijst naar de Wet op de loonbelasting 1964. In artikel 10 van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt onder loon verstaan al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking. 5.2. Het Uwv is bij de berekening van het dagloon uitgegaan van het bedrag aan SV-loon zoals vermeld in de polisadministratie. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat het Uwv mag uitgaan van de gegevens in de polisadministratie tenzij betrokkene aantoont dat deze gegevens onjuist zijn. 5.3. Een reiskostenvergoeding is onbelast tot maximaal € 0,23 cent per kilometer of de werkelijk gemaakte kosten als er gebruik wordt gemaakt van het openbaar vervoer. Reiskostenvergoeding voor het deel boven de € 0,23 per kilometer wordt aangemerkt als loon en telt mee voor het SV-loon en dagloon. 5.4. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de reiskostenvergoedingen niet bedoeld waren om daadwerkelijk gemaakte reiskosten te dekken maar fungeerden als verkapt loon. De rechtbank heeft aan eiseres de mogelijkheid geboden om stukken toe te sturen waaruit het voorgaande zou volgen. Daar heeft eiseres niet tijdig gebruik van gemaakt. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat er bij de Belastingdienst geen correctie heeft plaatsgevonden waardoor het sv-loon ongewijzigd is gebleven, en eiseres heeft niet bestreden dat een dergelijke correctie niet heeft plaatsgevonden. De rechtbank gaat dan ook uit van deze gegevens. Eiseres heeft niet aannemelijk kunnen maken dat de gegevens in de polisadministratie onjuist zijn. Het Uwv heeft dan ook terecht de reiskostenvergoedingen buiten beschouwing gelaten bij de berekening van het dagloon waar de WIA-uitkering op is gebaseerd. Had het Uwv moeten wachten op de aanvullende stukken van eiseres alvorens een beslissing op bezwaar te nemen? 6. De rechtbank moet beoordelen of het Uwv had moeten wachten op de aanvullende stukken die eiseres zou toesturen na de hoorzitting alvorens een beslissing op bezwaar te nemen. 6.1. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat er tijdens de hoorzitting in bezwaar werd aangeboden om stukken op te sturen, en dat het Uwv heeft toegezegd op die stukken te wachten voordat een besluit zou worden genomen. Nog voordat eiseres de stukken kon opsturen werd er binnen een dag een besluit genomen waardoor de stukken niet zijn meegenomen. Het Uwv heeft aangegeven dat de hoorzitting telefonisch is geweest en daar geen verslag van is gemaakt. Daardoor kon het Uwv niet nagaan of er een dergelijke toezegging is gedaan of niet. De rechtbank overweegt dat het Uwv in strijd heeft gehandeld met artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door geen verslag te maken van wat er tijdens de hoorzitting is gezegd. Het feit dat daardoor achteraf niet te controleren is of en zo ja welke afspraken zijn gemaakt tussen partijen moet daarom voor rekening van het Uwv blijven. Om die reden gaat de rechtbank ervan uit dat inderdaad is toegezegd dat geen besluit op het bezwaar zou worden genomen voordat eiseres kans had gehad nadere stukken in te dienen. Het voorgaande levert een gebrek op in het bestreden besluit. Eiseres heeft echter de gelegenheid gehad om alle relevante stukken in beroep alsnog in te dienen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, aangezien het aannemelijk is dat eiseres hierdoor niet is benadeeld. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het bestreden besluit blijft in stand. 7.1. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt in dit geval aanleiding gezien het Uwv te veroordelen in de proceskosten van eiseres. De proceskosten in beroep stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van een zitting, met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1). Ook wordt bepaald dat het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht van € 51,- vergoedt. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden; veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Çakir, griffier.