Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-04-03
ECLI:NL:RBDHA:2026:9042
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.1503 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker (gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. M. Berkelmans). Inleiding 1.1 In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker in verband met een bezwaarschrift tegen de afwijzing van zijn verlengingsaanvraag voor een Gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) met als doel ‘Arbeid in loondienst’. 1.2 Met het primaire besluit van 30 december 2025 heeft de minister de aanvraag van verzoeker van 18 april 2025 afgewezen. Verzoeker heeft op 7 januari 2026 tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 1.3 Op 9 januari 2026 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat verzoeker arbeid mag verrichten bij zijn werkgever [werkgever] tijdens de bezwaarfase. Op 10 januari 2026 heeft verzoeker de gronden van zijn verzoek ingediend. Op 10 januari 2026 heeft verzoeker verzocht een ordemaatregel te treffen. 1.4 Op 18 maart 2026 heeft de minister een verweerschrift ingediend. 1.5 De voorzieningenrechter heeft de zaak op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, D.T. Tran als tolk, de werkgever van verzoeker, de gemachtigde van de minister en [naam] namens het UWV . Overwegingen 2.1 Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 2.2 Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. 3. Verzoeker heeft een verlengingsaanvraag ingediend voor een GVVA met het doel ‘Arbeid in loondienst’. Verzoeker is in het bezit geweest van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘Arbeid in loondienst’ met een geldigheidsduur van 4 juli 2024 tot 24 mei 2025. Deze vergunning werd verleend naar aanleiding van verzoekers aanvraag van 29 februari 2024. Verzoekers werkgever [werkgever] is zijn referent. Besluitvorming 4.1 Op grond van artikel 3.31, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking arbeid in loondienst worden verleend indien geen afwijzingsgrond van toepassing is uit artikel 16 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 en artikel 8 en 9 van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), tenzij het seizoenarbeid betreft. Om na te gaan of er wordt voldaan aan de Wav is door de minister advies gevraagd aan het UWV. Dit staat in artikel 14a van de Vw 2000. 4.2 Uit het individueel advies van het UWV van 29 december 2025, met kenmerk Av25543670, (hierna: het UWV-advies) blijkt dat verzoeker niet voldoet aan de Wav. Het UWV adviseert negatief omdat er voldoende aanbod aanwezig is, de werkgever onvoldoende heeft gezocht naar kandidaten en de werkgever geen salaris biedt dat past bij de functie. 4.3 De minister verwijst naar het advies en wijst de aanvraag van verzoeker af omdat hij niet voldoet aan artikel 3.31 van het Vb 2000. Is er sprake van spoedeisend belang? 5.1 De voorzieningenrechter moet om te beginnen beoordelen of er sprake is van spoedeisend belang. Verzoeker stelt dat er spoedeisend belang is nu hij gedurende de bezwaarprocedure geen arbeid kan verrichten voor zijn werkgever en hij, althans zijn werkgever, daardoor inkomsten misloopt. Vlak voor de zitting heeft verzoeker een onderbouwing van het spoedeisend belang geüpload. Volgens verzoeker is het bedrijf van de werkgever afhankelijk van verzoekers arbeid en komt het bedrijf zwaar onder druk te staan als verzoeker niet langer tewerk mag worden gesteld. Daarnaast zijn er zwaarwegende sociale belangen. De minister stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van spoedeisend belang. Uit Suwinet blijkt volgens de minister dat verzoeker nog steeds arbeid verricht voor zijn werkgever en nog steeds inkomen ontvangt. 5.2 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er, in tegenstelling tot wat de minister stelt, sprake van spoedeisend belang. Verzoeker en zijn werkgever willen nakoming van het tussen hen overeengekomen arbeidscontract. Dat is nu niet mogelijk omdat het verzoeker niet langer is toegestaan te werken. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoeker toegelicht dat verzoeker gelet op zijn arbeidsovereenkomst, die nog steeds van kracht is, door zijn werkgever wordt doorbetaald en dat de informatie van Suwinet daarop ziet. De stelling van de minister ter zitting dat er ook daadwerkelijk gewerkte uren zijn geregistreerd in Suwinet is niet nader onderbouwd door de minister. De gemachtigde van verzoeker heeft verder toegelicht dat de werkgever twee koks in dienst heeft en dat de gevolgen van het wegvallen van één van de koks daarom groot zijn. Als verzoeker niet meer mag werken, dan heeft dat mogelijk tot gevolg dat het restaurant dicht moet of dat er minder eten bereid kan worden. Omdat verzoeker, althans zijn werkgever, inkomsten misloopt, verzoeker niet kan worden gemist in het restaurant van zijn werkgever en er -zoals ter zitting is gebleken- nog geen zicht is op een beslissing op bezwaar, is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van spoedeisend belang. Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen? 6.1 De voorzieningenrechter zal zich vervolgens uitlaten over de vraag of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. 6.2 Verzoeker stelt dat hij een kansrijk bezwaarschrift heeft ingediend. Verzoeker wijst er in dit kader op dat het hier een verlenging van een verleende vergunning betreft die in dezelfde situatie aan verzoeker is verleend vanwege het ontbreken van prioriteitgenietend aanbod (pga). Verzoeker doet in dit kader een beroep op het vertrouwensbeginsel. Sinds 2014 is het volgens verzoeker een feit van algemene bekendheid dat pga ontbreekt. Op basis van wetenschappelijk onderzoek is steeds geconcludeerd dat er voor de functies zelfstandig werkend kok, sous-chef en chef-kok binnen Europa geen pga beschikbaar is omdat het niet mogelijk is om binnen een redelijke termijn van 3 tot 6 maanden een kok van gelijkwaardig niveau, niet geschoold in de Aziatische keuken, op te leiden tot geschikt persoon om de vacature te vervullen. 6.3 De minister stelt zich op het standpunt dat er sprake is van pga. In dit standpunt baseert de minister zich op het UWV-advies waarin het volgende staat: “ Er zijn in Nederland en de EU/EER/Zwitserland voldoende kandidaten voor de functie. Deze kandidaten voldoen aan de eisen die nodig zijn voor de functie. Dit maken wij op uit het volgende. Tot 1 januari 2022 gold een uitzonderingspositie voor restaurants in de Aziatische horecasector, waardoor koks uit Azië eenvoudiger een tewerkstellingsvergunning of een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid konden krijgen. Als onderdeel van de uitzonderingspositie voor restaurants in de Aziatische horeca hanteerden wij bij toetsing van de aanvragen voor een vergunning, generiek zogenoemde "specifieke functie-eisen". Vanaf 1 juli 2024 toetsen wij niet meer aan deze specifieke functie-eisen. Wordt een aanvraag ingediend op of na 1 juli 2024 dan wordt deze op dezelfde wijze getoetst als andere reguliere aanvragen voor een werkvergunning .” De minister stelt dat er ook sprake is van pga indien werkzoekenden pas na een inwerkperiode of na enige scholing aan de functie-eisen kunnen voldoen. Verder stelt de minister dat de werkgever onvoldoende wervingsinspanningen heeft verricht in de drie maanden voorafgaand aan de indiening van de aanvraag en dat de werkgever geen loon biedt dat past bij de betreffende functie en werkervaring.