Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2019-01-22
ECLI:NL:RBGEL:2019:334
Bestuursrecht
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: AWB 18/1863 uitspraak van de meervoudige kamer van in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. F.J.J.M. Janssen), en de minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, te Den Haag, verweerder (gemachtigde: mr. drs. J.P. van Niestern). Bij besluit van 21 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvragen van eiseres om bijzondere bekostiging groei internationaal georiënteerd basisonderwijs 2016-2017 en de bekostiging internationaal georiënteerd basisonderwijs 2017-2018 afgewezen. Bij besluit van 28 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2018. Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Tevens zijn verschenen [eiseres] , manager bedrijfsvoering en vertegenwoordiger van het bestuur van eiseres, [eiseres] , beleidsmedewerker financiën van eiseres en [eiseres] , directeur van [basisschool] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, voorzitter, mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. L.M. Vogel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.N.H. Tran, griffier. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. 1.1 Eiseres is De Basis, stichting voor openbaar primair onderwijs [woonplaats] . Onder de stichting vallen onder meer de [basisschool] , voorheen de [basisschool] , en [basisschool] . Eiseres heeft de onderhavige aanvragen voor de bekostiging ingediend voor [basisschool] . 1.2 Sinds 1987 is aan de [basisschool] een afdeling internationaal georiënteerd basisonderwijs (IGBO) verbonden. Wegens een fysieke verhuizing in maart 2017 is de IGBO-afdeling sindsdien organisatorisch verbonden aan [basisschool] . 1.3 Op 23 september 2017, door verweerder ontvangen op 29 september 2017, heeft eiseres een aanvraag ingediend om een IGBO-afdeling, te verbinden aan [basisschool] , voor bekostiging in aanmerking te laten komen. Bij brief van 7 november 2017 heeft verweerder beslist dat eiseres in aanmerking komt voor bekostiging van een IGBO-afdeling te verbinden aan [basisschool] . 2. Verweerder heeft de aanvragen om bijzondere bekostiging groei IGBO 2016-2017 en bekostiging IGBO 2017-2018 bij het primaire besluit afgewezen en deze afwijzing in bezwaar gehandhaafd. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat [basisschool] in de betreffende schooljaren nog niet beschikte over een bekostigingsbesluit op grond van artikel 85a van de Wet op het primair onderwijs (Wpo; verder te noemen: bekostigingsbesluit, door partijen ook aangeduid als licentie). Op grond van artikel 85a van de Wpo wordt een bekostigingsbesluit aangevraagd vóór 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de bekostiging wordt gevraagd. Dit is een dwingendrechtelijke bepaling. Nu de aanvraag is ingediend op 29 september 2017, betekent dit dat eiseres voor [basisschool] vanaf het schooljaar 2018-2019 voor bekostiging van de IGBO-afdeling in aanmerking komt. De onderhavige aanvragen die zien op de voorgaande schooljaren zijn volgens verweerder dan ook terecht afgewezen. 3. Artikel 85a, eerste lid, van de Wpo luidt als volgt: “Onze minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag van een basisschool een afdeling voor internationaal georiënteerd basisonderwijs aan die school en in die gemeente voor bekostiging in aanmerking brengen. Een aanvraag als bedoeld in de eerste volzin moet voor 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het schooljaar waarin de bekostiging van de afdeling wordt verzocht, worden ingediend bij Onze minister. Onze minister besluit voor 1 januari daaropvolgend.” Artikel 29a, eerste lid, van het Besluit bekostiging Wpo (hierna: het Besluit) luidt als volgt: “Indien aan een basisschool een afdeling internationaal georiënteerd basisonderwijs is verbonden, wordt op basis van een aanvraag van het bevoegd gezag aanvullende bekostiging voor personeelskosten, bedoeld in artikel 120, derde lid, van de wet, toegekend, indien bij deze afdeling op 1 oktober van het voorafgaand schooljaar ten minste elf leerlingen staan ingeschreven.” Artikel 8, eerste lid, van de Regeling bekostiging personeel PO 2017-2018 en aanpassing bedragen voor ondersteuning van leerlingen in het PO en VO 2017-2018 respectievelijk voor 2016-2017 (hierna: de Regeling) luidt als volgt: “Het bevoegd gezag van een basisschool waaraan een afdeling internationaal georiënteerd basisonderwijs is verbonden, ontvangt op aanvraag bekostiging voor personeel en voor materiële instandhouding.” 4. Eiseres betoogt dat het niet nodig was om een nieuwe aanvraag in te dienen om voor bekostiging van de IGBO-afdeling in aanmerking te komen. Uit artikel 85a van de Wpo kan worden afgeleid dat een bekostigingsbesluit niet geldt voor de school maar voor de IGBO-afdeling. Deze IGBO-afdeling, voorheen verbonden aan de [basisschool] , wordt al sinds 1987 bekostigd. Een enkele verhuizing van de IGBO-afdeling maakt niet dat de bekostiging komt te vervallen. Bovendien blijkt uit artikel 8 van de Regeling dat het bevoegd gezag aanspraak maakt op de bekostiging van een IGBO-afdeling. Met een koppeling van de IGBO-afdeling aan een andere school blijft het bevoegd gezag aanspraak maken. Dit geldt te meer nu de IGBO-afdeling in hetzelfde voedingsgebied is gebleven. 4.1 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat een bekostigingsbesluit is gekoppeld aan een school en niet aan het bevoegd gezag of aan een IGBO-afdeling. Dit volgt om te beginnen uit de tekst van dit artikel 85a, eerste lid, van de Wpo. Verder heeft verweerder er terecht op gewezen dat in de Memorie van Toelichting (TK 2010-2011, 32 795, nr. 3, paragraaf 2) is vermeld: “Het gaat bij IGBO niet om zelfstandige scholen maar om afdelingen verbonden aan bekostigde basisscholen en die dus integraal onderdeel uitmaken van die basisschool.” Dit betekent dat bij verhuizing van een IGBO-afdeling van de ene school naar de andere school de bekostiging niet overgaat op de nieuwe school. Verweerder merkt hierbij terecht op dat dit in lijn is met de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om voor bekostiging van een IGBO-afdeling in aanmerking te komen. Die voorwaarden zien op het te verwachten aantal leerlingen en een evenwichtige landelijke spreiding van basisscholen met een IGBO-afdeling. Die voorwaarden zouden kunnen worden doorkruist als het toegestaan zou zijn om de IGBO-afdeling te verplaatsen naar een andere school zonder dat in het kader van een bekostigingsbesluit is getoetst of de nieuwe school aan de voorwaarden voor bekostiging voldoet. Het betoog van eiseres faalt. 5. Eiseres betoogt dat [basisschool] op het moment van het primaire besluit van 21 november 2017 beschikte over verweerders besluit van 7 november 2017 waarin is aangegeven dat [basisschool] in aanmerking komt voor bekostiging van een IGBO-afdeling. In het besluit van 7 november 2017 wordt uitdrukkelijk vermeld dat het gaat om een overheveling van de IGBO-afdeling en er wordt geen aanvangsdatum van de bekostiging vermeld. Gelet hierop mocht eiseres erop vertrouwen dat de bekostiging zonder onderbreking zou doorlopen. 5.1 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat van opgewekt vertrouwen geen sprake is. Het bekostigingsbesluit van 7 november 2017 is gebaseerd op artikel 85a van de Wpo, welk artikel in het besluit wordt genoemd. Op grond van dit besluit, gelezen in samenhang met artikel 85a van de Wpo, had eiseres kunnen weten dat het besluit betrekking had op bekostiging vanaf het schooljaar 2018-2019. Het betoog faalt. 6. Eiseres betoogt ook dat sprake is van een omissie in de wet- en regelgeving omdat de Wpo niet voorziet in een verhuismogelijkheid van een IGBO-afdeling tijdens een schooljaar. Verhuizing is daardoor alleen mogelijk per aanvang van een nieuw schooljaar, terwijl een verhuizing niet altijd op dat moment kan worden gerealiseerd. Hierdoor ontstaat een periode waarin er geen bekostiging wordt verkregen, terwijl de kosten voor een IGBO-afdeling wel worden gemaakt. Het bestreden besluit is dan ook in strijd met het evenredigheidsbeginsel omdat duidelijk is dat materieel aan de voorwaarden voor bekostiging wordt voldaan. 6.1 Eiseres beschikte niet over een bekostigingsbesluit voor [basisschool] om voor (groei)bekostiging van de IGBO-afdeling in aanmerking te komen over de schooljaren 2016-2017 en 2017-2018. Op basis van het bekostigingsbesluit van 7 november 2017 komt de IGBO-afdeling verbonden aan [basisschool] pas voor aanvullende bekostiging in aanmerking vanaf het schooljaar 2018-2019. Dit volgt uit artikel 85a, eerste lid, van de Wpo. Uit artikel 29a, eerste lid, van het Besluit, en artikel 8, eerste lid, van de Regeling volgt dat bekostiging voor een IGBO-afdeling alleen wordt toegekend aan een school waaraan een IGBO-afdeling is verbonden, dat wil zeggen een school die over een bekostigingsbesluit voor een IGBO-afdeling beschikt.