Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2019-03-07
ECLI:NL:RBGEL:2019:976
Bestuursrecht
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: AWB 18/5450 en 18/5475 uitspraak van de meervoudige kamer van 7 maart 2019 in de zaken tussen [Bedrijf A] , te [plaats 1] , en [Bedrijf B] , te [plaats 2] , (hierna tezamen: eiseressen; gemachtigde van eiseressen: mr. J.A. Bekke), en Normec Certification B.V. te Geldermalsen, verweerder. Bij besluit van 26 februari 2018 (het primaire besluit 1) heeft verweerder het procescertificaat als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, van eiseres 2 geschorst voor een termijn van 30 dagen. Bij besluit van 5 april 2018 (het primaire besluit 2) heeft verweerder het procescertificaat als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, van eiseres 1 geschorst voor een termijn van 30 dagen. Bij afzonderlijke besluiten van 30 augustus 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eiseressen ongegrond verklaard. Eiseressen hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Verweerder heeft één verweerschrift voor beide zaken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2019. De zaken zijn gevoegd behandeld. Namens eiseressen is verschenen [Naam A] , bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. van Hartskamp, bijgestaan door mr. A. Collignon en mr. K. Rahimian. De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond; - vernietigt de bestreden besluiten; - herroept de primaire besluiten 1 en 2 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten; - gelast dat verweerder het door eiseressen betaalde griffierecht groot € 676, aan hen vergoedt; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 2.048. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. van Breda, voorzitter, mr. R.J. Jue en mr. H.J.M. Besselink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H.M. Steigenga-Gerritsen, griffier. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. 1. De kern van het geschil is of eiseressen handelen in strijd met de artikelen 7, derde lid, onder b, en artikel 25, derde lid, onder b, van Bijlage XIIIa van de Arbeidsomstandighedenregeling. Dat is het geval als op eenzelfde projectlocatie werkzaamheden worden verricht terwijl sprake is van (toegespitst op deze zaak) een samenwoningsrelatie tussen een aandeelhouder van het asbestinventarisatiebedrijf [Bedrijf A] en een aandeelhouder van het asbestverwijderingsbedrijf [Bedrijf B] Om dit te bepalen zijn de volgende feiten van belang. 1.1 [Bedrijf A] inventariseert asbest in gebouwen en objecten. [Bedrijf B] verwijdert asbest. De aandeelhoudersconstructies van eiseressen zien er zo uit: De aandelen van [Bedrijf A] worden beheerd door [Bedrijf C] . In het bestuur van [Bedrijf C] hebben zitting [Naam E] en [Naam F] . [Naam B] Holding B.V. is certificaathouder van [Bedrijf C] . [Naam B] is aandeelhouder van deze Holding. [Naam C] en [Naam D] B.V. is aandeelhouder van [Bedrijf B] [Naam D] Holding B.V. en [Naam C] Holding B.V. zijn aandeelhouders van [Naam C] en [Naam D] B.V. [Naam D] is aandeelhouder van [Naam D] Holding B.V. [Naam B] en [Naam D] zijn met elkaar getrouwd en wonen samen. 1.2 Vast staat dat in 2017/2018 [Bedrijf A] op meerdere locaties (genoemd zijn projectlocaties in [plaats 3] , [plaats 4] en [plaats 5] ) de aanwezigheid van asbest heeft geïnventariseerd en dat die asbest vervolgens is verwijderd door [Bedrijf B] 2. Artikel 7, derde lid, onder b, van Bijlage XIIIa staat in paragraaf 4, Eisen procescertificaat asbestinventarisatiebedrijf, van die regeling. Op grond van dat artikellid worden op een zelfde projectlocatie geen werkzaamheden verricht als er sprake is van een eerstegraads of tweedegraads bloed- en aanverwantschapsrelatie of samenwoningsrelatie tussen een aandeelhouder of bestuurder van het asbestinventarisatiebedrijf [en een] aandeelhouder of bestuurder van het asbestverwijderingsbedrijf. Artikel 25, derde lid, onder b, van Bijlage XIIIa staat in paragraaf 5, Eisen procescertificaat asbestverwijderingsbedrijf, van die regeling. Op grond van dat artikellid worden op een zelfde projectlocatie geen werkzaamheden verricht als er sprake is van een eerstegraads of tweedegraads bloed- en aanverwantschapsrelatie of samenwoningsrelatie tussen een aandeelhouder of bestuurder van het asbestverwijderingsbedrijf en een aandeelhouder of bestuurder van het asbestinventarisatiebedrijf. In de Toelichting staat over de betekenis van deze bepalingen: “Er zijn derhalve verschillende (rechts)personen: opdrachtgever, het asbestinventarisatiebedrijf, het asbestverwijderingsbedrijf en de eindbeoordelaar. Binnen en achter de rechtspersonen en bedrijven zijn verschillende mensen actief. Indien een (rechts)persoon een rol speelt in verschillende fases in het proces komen de onafhankelijkheid en de objectiviteit in de verschillende fases in het gedrang. De praktijk heeft geleerd dat een belangrijke factor achter overtredingen ligt in het feit dat dezelfde (rechts)personen voorkomen in verschillende fases van asbestwerkzaamheden. In de schema’s zijn bepalingen opgenomen die ‘schotten’ plaatsen tussen deze actoren, door dubbele rollen van de verschillende actoren (en hun mensen) te verbieden. (…) Een overtreding van een dergelijke bepaling leidt niet direct tot blootstelling of het verhogen van het risico. (…) Schending van deze kan wel een factor zijn die heeft bijgedragen aan een andere overtreding die heeft geleid tot blootstelling dan wel dit risico heeft verhoogd.” (Stcrt. 2011, 18269, p. 29) Artikel 23, eerste lid, van Bijlage XIIIe van de Arbeidsomstandighedenregeling bepaalt dat, indien de certificaathouder niet voldoet of voldaan heeft aan of één meer bepalingen uit bijlage XIIIa, sprake is van een afwijking en dat het procescertificaat van de certificaathouder door de certificerende instelling wordt ingetrokken, onvoorwaardelijk wordt geschorst voor 30 dagen, voorwaardelijk wordt geschorst voor ten hoogste 90 dagen of dat de certificerende instelling de certificaathouder een waarschuwing geeft. In deze zaken is volgens verweerder sprake van zogenaamde categorie II-afwijkingen als bedoeld in bijlage 1 bij Bijlage XIIIe. Met toepassing van artikel 23, eerste en vijfde lid, van Bijlage XIIIe heeft verweerder vervolgens de procescertificaten geschorst. 3. Partijen zijn verdeeld over de vraag of, gegeven het feit dat [Naam B] en [Naam D] samenwonen, [Bedrijf A] en [Bedrijf B] op meerdere projectlocaties hebben gehandeld in strijd met de artikelen 7 en 25 van Bijlage XIIIa. Centraal staat daarbij de vraag of [Naam B] aangemerkt moet worden als aandeelhouder van [Bedrijf A] 4. Eiseressen hebben betoogd dat dit niet het geval is. Zij hebben daartoe aangevoerd dat niet [Naam B] maar de STAK aandeelhouder is van [Bedrijf A] Daarmee heeft het bestuur van de STAK feitelijke en juridische zeggenschap over het asbestinventarisatiebedrijf. De STAK geeft certificaten uit die de houder ervan, [Naam B] Holding B.V., waarvan [Naam B] aandeelhouder is, louter recht geven op winstuitkering. Door de certificering van aandelen is de zeggenschap over [Bedrijf A] losgekoppeld van het recht op dividend. Peeters kan dan ook geen enkele invloed uitoefenen op het asbestinventarisatiebedrijf. Op zich is Peeters daarmee wel een uiteindelijk belanghebbende bij het inventarisatiebedrijf, maar het begrip ‘aandeelhouder’ in de artikelen 7 en 25 van Bijlage XIIIa mag niet zo ruim worden uitgelegd, dat hieronder ook uiteindelijk belanghebbenden vallen, aldus eiseressen. 5. Verweerder heeft betoogd dat eiseressen wel degelijk handelen in strijd met de artikel 7 en 25 van Bijlage XIIIa. Volgens verweerder zijn er meerdere aanwijzingen dat het begrip ‘aandeelhouder’ zo ruim moet worden uitgelegd dat hieronder ook uiteindelijk belanghebbenden als Peeters vallen. Verweerder heeft daartoe gewezen op: een brief van de directie Veiligheid en Gezond Werken van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 maart 2017. Deze brief is op 14 november 2017 met verweerder gedeeld. In de brief wordt, kort gezegd, ingegaan op de vraag of een STAK-constructie in de asbestsector geoorloofd is. Geantwoord wordt dat een certificaathouder met recht op winstuitkering belang heeft bij het functioneren van een bedrijf in de asbestsector en dat die constructie daarom niet geoorloofd is; het interpretatiedocument SCa-100, ‘nadere interpretaties certificatieschema’ van 3 april 2018 van het Centraal College van Deskundigen van de stichting Ascert, een beheerstichting als bedoeld in artikel 1 van Bijlage XIIIe. Daarin staat het volgende:“Artikel 7 en 25Probleemstelling/vraag:Wat moet worden verstaan onder de term aandeelhouder in dit artikel.Interpretatie en besluit:Doelstelling van dit artikel is het voorkomen van ongewenste eigendomsverhoudingen tussen personen die belangen hebben in asbestinventarisatiebedrijven en asbestverwijderingsbedrijven. Het is daarom beter om te spreken over een “Uiteindelijk belanghebbende” (…).” de bekendmaking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 november 2018, 2018-0000188020, houdende publicatie van het Certificatieschema voor de Procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering dat is vastgesteld door de Stichting Ascert als bedoeld in artikel 1.5a, onderdeel c, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Stcrt. 2018, 68771). Deze bekendmaking bevat onder meer wijzigingen in de artikelen 7 en 25 van Bijlage XIIIa.