Rechtspraak Rechtbank Gelderland 2025-03-12
ECLI:NL:RBGEL:2025:2047
Civiel recht
RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: 11254681 \ CV EXPL 24-6416 Vonnis van 12 maart 2025 in de zaak van DFM N.V., handelende onder de naam DutchFinance, te Amersfoort, eisende partij, hierna te noemen: DFM, gemachtigde: Jongejan Wisseborn Gerechtsdeurwaarders, tegen [gedaagde] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , niet verschenen. 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding van 30 juli 2024. 1.2. Daarna is vonnis bepaald. 2.1. DFM heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. Een kopie van de dagvaarding is aan dit vonnis gehecht. 2.2. Omdat de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, wordt tegen [gedaagde] verstek verleend. 2.3. Aan de hand van het gestelde in de dagvaarding is de vordering getoetst aan de dwingende bepalingen van het Europees consumentenrecht. De vordering tot betaling van € 4.848,97 komt niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt daarom toegewezen. DFM heeft de kredietovereenkomst (goederenkrediet motorrijtuig) ontbonden op grond van art. 7:90 BW en het motorrijtuig is aan haar teruggegeven, dus de vordering van DFM tot schadevergoeding kan worden toegewezen. 2.4. DFM vordert contractuele rente van 7,49% per jaar over € 4.773,75. Deze wordt afgewezen, omdat daar geen grondslag voor is. Over de verbintenis tot schadevergoeding, kan enkel de wettelijke rente van artikel 6:119 BW worden toegewezen. Die zal daarom worden toegewezen. 2.5. [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van DFM worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 137,39 - griffierecht € 496,00 - salaris gemachtigde € 271,00 (1 punt × € 271,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) totaal € 1.039,39 De kantonrechter 3.1. veroordeelt [gedaagde] om aan DFM te betalen een bedrag van € 4.848,97, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 4.773,75, met ingang van 20 juli 2024, tot de dag van volledige betaling, 3.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.039,39, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 3.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 3.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. D. Vergunst en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2025. 676 / 40141