Rechtspraak Rechtbank Haarlem 2000-11-07
ECLI:NL:RBHAA:2000:AA8956
Bestuursrecht
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE HAARLEM Enkelvoudige Kamer voor Bestuursrechtelijke Zaken U I T S P R A A K ingevolge artikel 8:66 van de Algemene wet bestuursrecht reg.nr.: AWB 00/4038 Inzake: A, wonende te B, eiser, tegen De Voorzitter van Provinciale Staten van Noord-Holland, verweerder. 1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING. Bij besluit van 13 maart 2000 heeft verweerder eisers bezwaar tegen verweerders primaire besluit van 13 april/10 mei 1999 ongegrond verklaard. Bij het primaire besluit heeft verweerder eiser niet toegestaan bij de beëdiging van de in artikel 14 van de Provinciewet vermelde tekst af te wijken. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt bij bezwaarschrift van 20 mei 1999. In het kader van de bezwaarprocedure is eiser gehoord op 21 oktober 1999. Bij advies van 21 oktober 1999 heeft de Hoor- en Adviescommissie verweerder geadviseerd eiser in zijn bezwaren te ontvangen, deze bezwaren ongegrond te verklaren en het bestreden besluit te handhaven. Bij beroepschrift van 20 april 2000 heeft eiser beroep ingesteld bij deze rechtbank. Bij brief van 31 mei 2000 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en verweer gevoerd. Het beroep is ter terechtzitting van 27 september 2000 behandeld, waar eiser in persoon is verschenen en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door drs. C.J.N. Versteden, griffier der Staten. Gehoord is voorts de door eiser meegebrachte getuige drs. H. van Bommel, lid van de Tweede Kamer der Staten Generaal. 2. OVERWEGINGEN. Eiser was toegelaten als lid van Provinciale Staten. Op 13 april 1999 is hij in de gelegenheid gesteld de in artikel 14 van de Provinciewet bedoelde eed of verklaring en belofte af te leggen. Verweerder heeft de leden, onder wie eiser, verzocht ter beëdiging de woorden uit te spreken: "zo waarlijk helpe mij God almachtig" of, indien hij of zij een verklaring wenst af te leggen, de woorden uit te spreken "dat verklaar en beloof ik". Eiser heeft verweerder medegedeeld dat hij de eed wenst af te leggen, maar dat hij daarbij wil afwijken van de tekst die daarvoor in artikel 14 van de Provinciewet is voorgeschreven. Hij wil op grond van zijn persoonlijke geloofsovertuiging in plaats van de voorgeschreven formule "zo waarlijk helpe mij God almachtig" uitspreken "zo waarlijk helpe mij God". Verweerder heeft besloten eiser niet toe te staan, af te wijken van de in artikel 14 van de Provinciewet voorgeschreven formules en hem desgewenst wel in de gelegenheid te stellen om na het uitspreken van de voorgeschreven formules een zin toe te voegen, mits die geen afbreuk doet aan de strekking van de formule. Eiser heeft, onder aantekening van zijn bezwaar, de belofte afgelegd en de door hem gewijzigde eed. Standpunten van partijen. Eiser erkent dat artikel 14 van de Provinciewet geen melding maakt van de mogelijkheid van de daar voorgeschreven tekst af te wijken, doch de Eedswet 1911 voorziet wel in de mogelijkheid van een dergelijke afwijking, ingeval de te beëdigen persoon aan zijn godsdienstige gezindheid de plicht ontleent de eed op andere wijze af te leggen. De Eedswet 1911 is, zo stelt eiser, in geheel algemene bewoordingen gesteld en maakt geen uitzondering voor eedsaflegging op grond van de Provinciewet. Blijkens antwoorden op kamervragen huldigen ook de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie deze opvatting. Eisers wens af te wijken van de in de Provinciewet voorgeschreven tekst komt voort uit zijn persoonlijke geloofsovertuiging. Hij gelooft wel in God, maar niet in een almachtige God. Afwijking van de tekst staat naar eisers mening ter beoordeling van de betrokkene. Verweerder had dan ook zijn wens dienen te honoreren. Voorts heeft eiser een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Hij verwijst naar een beëdiging in de Staten van Zuid-Holland. Afwijking is daar wel toegestaan. Tenslotte doet eiser een beroep op artikel 9 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder stelt zich op het standpunt dat artikel 14 van de Provinciewet heel precies bepaalt welke tekst bij de installatie van het statenlid moet worden uitgesproken, afhankelijk van de keuze voor de eed of de belofte en verklaring. Een uitzonderingsmogelijkheid kent dit artikel niet. Het gaat hier bovendien om dwingend recht. De Eedswet van 1911 is met betrekking tot de vorm niet van toepassing naast en derogerend aan de regeling van artikel 14 van de Provinciewet. Indien de Eedswet al van toepassing zou zijn dan biedt deze niet de ruimte voor een afwijking van de voorgeschreven vorm als hier aan de orde. Volgens de Eedswet mag betrokkene van de voorgeschreven tekst afwijken indien hij aan zijn "godsdienstige gezindheid" de "plicht" daartoe ontleent. Naar verweerders mening heeft de wetgever uitsluitend ruimte voor afwijking willen bieden inzoverre betrokkene daartoe op grond van een voorschrift of de leer van zijn kerkgenootschap verplicht is. Wettelijk kader. Artikel 14 van de Provinciewet, luidende: Alvorens hun functie te kunnen uitoefenen, leggen leden van provinciale staten in de vergadering, in handen van de voorzitter, de volgende eed (verklaring en belofte) af: "Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot lid van provinciale staten benoemd te worden, rechtstreeks, noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd, middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen. Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als lid van het provinciaal bestuur naar eer en geweten zal vervullen. Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!" ("Dat verklaar en beloof ik!"). Artikel 1, van de Wet Vorm van de Eed (Wet van 17 juli 1911, Stb. 215), hierna: Eedswet, luidende: Hij, die ter uitvoering van een wettelijk voorschrift mondeling een eed, belofte of bevestiging moet afleggen, zal: a.indien hij een eed aflegt, onder het opsteken van de twee voorste vingers van zijn rechterhand, uitspreken de woorden: "Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig", b. indien hij een belofte aflegt, uitspreken de woorden: "Dat beloof ik", indien hij een bevestiging aflegt, uitspreken de woorden: "Dat verklaar ik", tenzij hij aan zijn godsdienstige gezindheid den plicht ontleent den eed, de belofte of de bevestiging op andere wijze te doen. De rechtbank overweegt als volgt. Alvorens de zaak inhoudelijk te beoordelen, dient de rechtbank te onderzoeken of eiser ontvankelijk is in zijn beroep. Met name dient de vraag beantwoord te worden, of eiser belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 Awb. Met andere woorden is eisers belang rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken? Naar eisers mening - en ook naar de mening van verweerder - dient die vraag bevestigend beantwoord te worden. Eiser heeft daartoe aangevoerd dat hij bij een eventuele toekomstige installatie weer voor dit probleem zal komen te staan en voorts dat het feit dat de eedsaflegging een betere garantie biedt voor een goede vervulling voor eiser van zijn functie van statenlid. De rechtbank verwerpt het eerste argument, aangezien een mogelijk toekomstig belang geen rechtstreeks belang is, als bedoeld in artikel 1:2 Awb (ABRS 27 februari 1998). Echter, eisers belang is niet beperkt tot een onzekere gebeurtenis in de toekomst. Immers, een vernietiging zou niet zonder effect zijn. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde verklaard dat een vernietiging van het bestreden besluit zou leiden tot een hernieuwde beëdiging. Gelet hierop en op het feit dat het bestreden besluit een besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb, verklaart de rechtbank eiser ontvankelijk in zijn beroep. De rechtbank ziet zich vervolgens geplaatst voor de beantwoording van de vraag of verweerder op goede gronden eiser heeft geweigerd toe te laten tot het afleggen van een van de tekst van artikel 14 Provinciewet afwijkend geformuleerde eed. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Zij heeft daartoe het volgende overwogen. De rechtbank erkent dat de Eedswet een afwijking toelaat. De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. Th. Seylhouwer, lid van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Fortuin als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2000, in tegenwoordigheid van de griffier. Afschrift verzonden op: RECHTSMIDDEL. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 C.A. 's-Gravenhage. Het hoger beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.