Rechtspraak Rechtbank Limburg 2021-02-10
ECLI:NL:RBLIM:2021:1035
Civiel recht
vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Roermond zaaknummer / rolnummer: C/03/284466 / HA ZA 20-555 Vonnis in incident van 10 februari 2021 in de zaak van de rechtspersoon naar het recht van het Verenigd Koninkrijk HIGHWAY CARE LIMITED, gevestigd te Maidstone (Verenigd Koninkrijk), eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaat mr. A.A.H. Bruinhof te Amsterdam, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ATD STRAMPROY B.V., gevestigd te Weert, gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident, advocaat mr. M.M.M. Rooijen te Weert. Partijen worden hierna HC en ATD genoemd. 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 27 oktober 2020 met producties 1 tot en met 6; de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring; de incidentele conclusie van antwoord. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2.1. ATD vordert dat voor zoveel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: haar wordt toegestaan SPCm BVBA in vrijwaring op te roepen; in de hoofdzaak een termijn wordt bepaald voor conclusie van antwoord aan de zijde van ATD; 3.3. De rechtbank overweegt dat tussen de rechtsmachtregels van de Brussel I bis-Verordening een onderlinge rangorde bestaat. Op grond van die rangorde dient eerst getoetst te worden aan artikel 24 van de Brussel I bis-Verordening. Nu er geen gerecht is dat krachtens artikel 24 van de Brussel I bis-Verordening bij uitsluiting bevoegd is, dient vervolgens getoetst te worden aan artikel 26 van de Brussel I bis-Verordening. ATD is verschenen en heeft de rechtsmacht van de Nederlandse rechter niet betwist. Dat betekent dat op grond van artikel 26 van de Brussel I bis-Verordening de Nederlandse rechter bevoegd is om van het voorliggende geschil kennis te nemen. Toepasselijk recht 3.4. Wat betreft het procesrecht is in internationale gedingen uitgangspunt dat dit wordt beheerst door de wet van het land van de aangezochte rechter. In lijn hiermee is in artikel 10:3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaald dat op de wijze van procederen ten overstaan van de Nederlandse rechter het Nederlandse recht van toepassing is. Dit heeft tot gevolg dat de in onderhavige zaak aan de orde zijnde processuele kwesties, waaronder de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring, beoordeeld dienen te worden naar Nederlands procesrecht. Vrijwaring 3.5. Voor toewijzing van de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring is vereist dat ATD de vordering op tijd instelt en dat ATD zich beroept op een rechtsverhouding met SPCm BVBA die meebrengt dat SPCm BVBA verplicht is om de gevolgen van verlies van de hoofdzaak door ATD (mede) te dragen (artikel 210 lid 1 en 211 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering). 3.5.1. Vaststaat dat ATD de incidentele vordering op tijd heeft ingesteld nu zij deze heeft ingediend vóór alle weren uiterlijk op de voor het nemen van de conclusie van antwoord bepaalde roldatum. 3.5.2. ATD heeft verder voldoende aannemelijk gemaakt dat er tussen haar en SPCm BVBA een rechtsverhouding bestaat op grond waarvan de vordering tot vrijwaring kan worden toegewezen. ATD heeft namelijk gesteld dat zij met SPCm BVBA een koopovereenkomst heeft gesloten op grond waarvan SPCm BVBA plaatstaal had moeten leveren aan ATD maar dat niet heeft gedaan, dat HC in de hoofdzaak afgifte vraagt van hetzelfde plaatstaal en dat als ATD in de hoofdzaak wordt veroordeeld tot levering van het plaatstaal, zij daaraan niet kan voldoen zonder medewerking van SPCm BVBA. Dit vormt op voorhand een voldoende rechtvaardiging voor het in vrijwaring oproepen van SPCm BVBA. Verloop hoofdzaak 3.6. De rechtbank zal de zaak verwijzen naar de rol van 24 maart 2021 voor conclusie van antwoord aan de zijde van ATD en iedere verdere beslissing aanhouden. Proceskosten en uitvoerbaarheid bij voorraad 3.7. De rechtbank overweegt dat de beslissing over de proceskosten in het incident niet zal worden aangehouden tot de einduitspraak. Uitgangspunt is dat in de beslissing op een incidentele vordering meteen een beslissing over de kosten daarvan wordt gegeven. Dit geldt ook voor een vrijwaringsincident waarbij het verzoek tot oproeping in vrijwaring wordt toegewezen. In het verleden was dit anders, maar daarin is verandering gekomen omdat een vrijwaringsincident los staat van de hoofdzaak en de proceskosten van het vrijwaringsincident los moeten worden gezien van de proceskosten van de daarna te starten vrijwaringszaak. 3.8. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Nu de proceskosten worden gecompenseerd, zal het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Rechtsmacht Nederlandse rechter 3.1. De rechtbank stelt voorop dat de vordering een internationaal karakter heeft omdat HC (eiseres in de hoofdzaak) een rechtspersoon naar buitenlands recht is die in het buitenland is gevestigd. Daarom dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen. 3.2. De rechtbank in het incident 4.1. staat toe dat SPCm BVBA door ATD wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van 24 maart 2021, 4.2. compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, in de hoofdzaak 4.3. verwijst de zaak naar de rol van 24 maart 2021 voor conclusie van antwoord aan de zijde van ATD, 4.4. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Krens en in het openbaar uitgesproken door mr. R.A.J. van Leeuwen op 10 februari 2021. type: CL/GK coll: