Rechtspraak Rechtbank Limburg 2026-03-27
ECLI:NL:RBLIM:2026:2806
RECHTBANK LIMBURG Toezicht Locatie Roermond toezichtnummer : NL:TZ:0000335754:B001 CBM-nummer : BM402413 beschikkingsnummer : 001 datum : 27 maart 2026 Beschikking van de kantonrechter op verzoek van: [verzoeker 1] , [adres 1] , [woonplaats 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 1964, en [verzoeker 2] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 2] 1965, wonende te [woonplaats 2] , [adres 2] , hierna gezamenlijk: de verzoekers met betrekking tot: [betrokkene] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 3] 1933,wonende te [adres 3] , [woonplaats 3]hierna te noemen: betrokkene. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kantonrechter heeft kennis genomen van: het verzoek (met bijlagen), ontvangen op 28 januari 2026; nadere informatie, ontvangen op 1 februari 2026. 1.2. Het verzoek is mondeling behandeld op 4 maart 2026. Verschenen zijn: dhr. [verzoeker 1] ; dhr. [verzoeker 2] . 2 De feiten 2.1. Bij beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Limburg van 22 maart 2024 zijn de goederen van de betrokkene onder bewind gesteld als gevolg van haar lichamelijke of geestelijke toestand. Daarnaast is ten behoeve van de betrokkene een mentorschap ingesteld bewind en mentorschap ingesteld. 2.2. De heer [verzoeker 1] is tot bewindvoerder en mentor benoemd. De heer [verzoeker 2] is tot mentor benoemd. 3 De beoordeling 3.1. Verzoekers vragen om: 1) de toegekende beloning van de bewindvoerder en mentor over 2025 te herzien en; 2) naast de beloning van de bewindvoerder en mentor, een beloning van de benoemde mede-mentor toe te kennen. 3.2 Ter onderbouwing van de verzoeken wordt gesteld dat zij vele werkzaamheden hebben verricht die buiten het takenpakket van een bewindvoerder en mentor vallen. Deze werkzaamheden hebben te maken met een opgestarte civiele procedure namens betrokkene tegen hun broer (een zoon van betrokkene). Die procedure, waarvan het hoger beroep thans lopende is, heeft betrekking op het handelen van hun broer, die zich – volgens hen – gelden van betrokkene zou hebben toegeëigend. Zij hebben onder meer bewijsstukken moeten verzamelen, overleg gevoerd met de ingeschakelde advocaat en zittingen bijgewoond, en inhoudelijke zorgtaken op zich genomen. Deze werkzaamheden hebben ongeveer 100 tot 150 uur gekost. Het verzoek tot herziening van de beloning over 2025 3.3. De kantonrechter overweegt ten aanzien van het eerste verzoek als volgt. 3.3.1. De kantonrechter begrijpt het verzoek als een verzoek om de beloning voor de niet professionele bewindvoerder en mentor op grond van artikel 5 juncto artikel 1 lid 8 van de Regeling beloning curatoren bewindvoerders en mentoren (hierna: de Regeling) op andere wijze vast te stellen. 3.3.2. In beginsel heeft de bewindvoerder en mentor recht op een forfaitair bedrag op basis van de Regeling. In het onderhavige geval wordt de jaarlijkse beloning van de benoemde bewindvoerder en mentor sedert 2024 vastgesteld op grond van artikel 5 juncto artikel 1 lid 2 van de Regeling. 3.3.3. De wetgever heeft de kantonrechter echter ruimte gelaten om, op grond van artikel 1 lid 8 van de Regeling, in het geval van ‘uitzonderlijke omstandigheden’ de beloning van de bewindvoerder op andere wijze vast te stellen en dus af te wijken van het forfaitaire karakter van de Regeling. Bij de toelichting van de Regeling omschrijft de wetgever dit als volgt: “Indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen, kan de kantonrechter door deze ingebouwde ‘noodklep’ bijvoorbeeld een hogere beloning toekennen dan door deze regeling wordt voorgeschreven. Naar aanleiding van reacties op de conceptregeling is de formulering gewijzigd van ‘bijzondere omstandigheden’ in ‘uitzonderlijke omstandigheden’, om te benadrukken dat niet te snel mag worden aangenomen dat van de regeling kan worden afgeweken.” 3.3.4. Wat verstaan moet worden onder ‘uitzonderlijke omstandigheden’ wordt uit de toelichting niet duidelijk. Wel geeft de wetgever aan dat een extra beloning niet wordt toegekend als het gaat om standaardwerkzaamheden zoals (niet limitatief) het beheren van het vermogen, het contact hebben met instanties, het bijwonen van zittingen en het doen van belastingaangiften. 3.3.5. De kantonrechter moet dus de vraag beantwoorden of er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die het toekennen voor een beloning op andere wijze rechtvaardigen. Het ligt op de weg van de bewindvoerder en mentor om toe te lichten waarom er ten aanzien van de niet-standaardwerkzaamheden sprake is van uitzonderlijke omstandigheden waarvoor een toekenning van een extra beloning gerechtvaardigd zou zijn. De lat voor afwijking van het forfaitaire beloningsysteem ligt, zoals uit het voorgaande blijkt, hoog. 3.3.6. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die vaststelling van een andere beloning rechtvaardigen. Het is zonder meer uitzonderlijk dat een bewindvoerder of mentor namens zijn moeder procedeert tegen een andere zoon van betrokkene. Puur gelet op de taak van de bewindvoerder (het vermogen beheren en vergroten waar mogelijk en verantwoord) zou dit tot standaardwerkzaamheden gerekend kunnen worden. In het onderhavige geval heeft de bewindvoerder echter in voldoende mate toegelicht dat het een tijdsintensieve klus is geweest om te reconstrueren welke gelden zijn broer aan het vermogen van betrokkene heeft onttrokken en het verzamelen van de daarbij behorende bewijsstukken, het in overleg met een advocaat opstarten van een civiele procedure en het in dat kader nodige te doen. De bewindvoerder zelf schat de door hem bestede tijd in dat kader op 100 tot 150 uur. De kantonrechter kan dat urenaantal aan de hand van het dossier niet verifiëren. De kantonrechter acht, gelet op de aard en het lange tijdsverloop waarin de werkzaamheden verricht zijn, redelijk dat 50 uur toegekend wordt als ‘extra beloning’. De hoogte van de ‘extra beloning’ 3.4. De volgende vraag is ‘welke beloning correspondeert met 50 extra uren’. 3.4.1. Deze vraag komt naar voren aangezien de forfaitaire beloning uit de Regeling voor de professionele bewindvoerder gebaseerd is op een uurtarief. Uit de toelichting blijkt: ‘Om tot forfaitaire beloningen te komen en in uitzonderlijke omstandigheden extra werkzaamheden te kunnen belonen, wordt een uurtarief gehanteerd’ Voor niet professionele bewindvoerders heeft de wetgever blijkens de toelichting van de Regeling echter niet gekozen voor een uurloon. Uit de toelichting blijkt: ‘Voor familievertegenwoordigers wordt geen uurtarief gehanteerd’. 3.4.2. De kantonrechter zal voor de 50 uren ‘extra beloning’ een bedrag van 2.107,23 euro toekennen. De kantonrechter zal hierna inzichtelijk maken in hoe hij tot een dergelijk bedrag komt. De kantonrechter heeft de beloning van een van een niet professionele bewindvoerder en mentor vergeleken met de beloning van een professionele bewindvoerder en mentor en op basis daarvan een percentage berekend. De beloning waar verzoekers (als niet professionele bewindvoerder en mentor) nu recht op hebben is de beloning van artikel 5 juncto artikel 1 lid 2 sub a van de Regeling. De reguliere beloning van verzoekers bedraagt € 1.593. Voor een professionele bewindvoerder en mentor bedraagt de beloning € 2.933. De beloning van de verzoekers is dus 54.31% ten opzichte van die van een professionele bewindvoerder en mentor. Het uurtarief van de professionele bewindvoerder en mentor is vastgesteld op € 77,60 euro. Het ‘uurtarief’ van verzoekers zou dan, dienovereenkomstig, vastgesteld kunnen worden op 54,31 % daarvan, zijnde € 42,14. De kantonrechter zal het uurtarief van de verzoekers ten aanzien van de ‘extra beloning’ vaststellen op € 42,14 per uur. Aangezien er 50 ‘extra uren’ worden toegekend komt dit neer op een bedrag van € 2107,23. Dit bedrag komt bovenop de reguliere forfaitaire beloning van de bewindvoerder en mentor uit de Regeling van € 1.593,-. Het totale bedrag waar de verzoekers dus recht op hebben over 2025 is derhalve € 3700,23. Het verzoek tot toekenning van een beloning aan de mede-mentor 3.5. Ten aanzien van het tweede verzoek is de kantonrechter van oordeel dat een dergelijk verzoek op grond van de wet noch de Regeling mogelijk is.