ECLI:NL:RBMNE:2016:2682
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 15/5085
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 april 2016 in de zaak tussen
1. [eiser sub 1] ,
2. [eiser sub 2] ,
3. [eiser sub 3] ,
4. [eiser sub 4] v.o.f.,
allen te [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. J. van de Riet),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vianen, verweerder
(gemachtigde: W. Bosse)
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Eneco Wind B.V., te Rotterdam, gemachtigde: mr. ing. A.P.J. Timmermans.
Bij besluit van 17 december 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan Eneco Wind B.V. (vergunninghouder) omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van drie windturbines met een gezamenlijk vermogen van maximaal 13,5 MW (4,5 MW per windturbine) op de percelen langs de A2 tussen knooppunt Everdingen en de Autenasekade, kadastraal bekend gemeente Vianen, sectie H, nummers 10 en 13 (verder: de percelen).
Tegen deze omgevingsvergunning is onder meer door eisers bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 17 augustus 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2016. [eiser sub 1] , vertegenwoordigd door zijn dochter [A] , en [eiser sub 2] zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde alsmede door ir. [B] en [C] .
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M.M. van Amstel, voorzitter, en mr. J.W. Veenendaal en mr. M.F.J.M. de Werd, leden, in aanwezigheid van W.B. Lakeman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2016.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het beroepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe gronden meer worden ingediend.
1. Voorafgaande aan het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning, heeft de raad van de gemeente Vianen bij besluit van 30 september 2014 het bestemmingsplan “Windpark Autena” vastgesteld. Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van drie windturbines op de percelen. Eisers 2, 3 en 4 hebben tegen het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan beroep ingesteld bij de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS). Bij uitspraak van 27 mei 2015 (nr. 201409190/1) heeft de ABRS deze beroepen ongegrond verklaard.
2. Vergunninghouder heeft op 1 oktober 2014, daags na de vaststelling van het bestemmingsplan “Windpark Autena” door de raad van de gemeente Vianen, een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het oprichten van drie windturbines (met toebehoren) op de percelen. Bij deze aanvraag is een zogenoemde vormvrije mer-beoordeling Windpark Autena te Vianen gevoegd. In die beoordeling is geconcludeerd dat gelet op de bevindingen moet worden uitgesloten dat als gevolg van Windpark Autena belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden, hetgeen betekent, aldus genoemde beoordeling, dat er geen aanleiding of noodzaak bestaat tot het opstellen van een MER en/of het uitvoeren van een mer-beoordeling.
Voorts heeft de commissie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden op 19 november 2014 geconcludeerd dat het plan niet strijdig is met redelijke eisen van welstand.
Tevens is een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) aangevraagd voor het in werking hebben van drie windturbines. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder geconcludeerd dat er geen aanleiding is om de OBM te weigeren.
3. Met het oog op de realisering van de drie windturbines op de percelen hebben de gemeente Vianen en vergunninghouder op 30 september 2014 een zogenoemde anterieure overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst zijn partijen onder meer overeengekomen dat vergunninghouder er voor zal zorgdragen dat de woningen die gelegen zijn binnen het gebied dat is aangegeven op de als bijlage 5 bijgevoegde kaart, te weten de kern van [woonplaats] , geen slagschaduw van de rotorbladen van de windturbines zullen ondervinden. Ten aanzien van de woningen die zijn gelegen buiten de kern van [woonplaats] is overeengekomen dat in overleg met de bewoners zal worden bekeken of en zo ja welke maatregelen nodig zijn om slagschaduw op hinderlijke momenten te voorkomen.
4. Vervolgens heeft verweerder bij het primaire besluit de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu het bestemmingsplan ter plaatse de oprichting van drie windturbines toestaat, de omgevingsvergunning, niet kon worden geweigerd.
5. Tussen partijen is niet in geschil, en de rechtbank stelt vast, dat het vergunde bouwplan voor het oprichten van de drie windturbines voldoet aan de bepalingen van het geldende bestemmingsplan “Windpark Autena”.
In artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo staan de situaties opgesomd waarin de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet worden geweigerd. De in dit artikel vermelde weigeringsgronden zijn limitatief en imperatief van aard. Dit betekent dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd als de bouwactiviteit in strijd is met één of meer genoemde toetsingsgronden en dat de omgevingsvergunning moet worden verleend, indien geen sprake is van één van deze weigeringsgronden.
6. Nu in dit geval geen sprake is van strijd met het geldende bestemmingsplan en voorts door eisers niet is gesteld noch anderszins is gebleken dat één van de overige in artikel 2.10 van de Wabo genoemde weigeringsgronden zich voordoet, moet worden geoordeeld dat hier sprake is van een gebonden beschikking en verweerder derhalve gehouden was de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.
7. Eisers betogen echter dat het gebonden karakter van de verleende omgevingsvergunning in dit geval moet wijken en dat een ruimer toetsingskader moet worden gehanteerd. Daartoe hebben eisers aangevoerd dat in de gesloten anterieure overeenkomst tussen de gemeente Vianen en Eneco Wind afspraken zijn gemaakt over slagschaduw en geluidsnormen. Daardoor wordt omwonenden rechtsbescherming onthouden. Die rechtsbescherming zou omwonenden wel zijn toegekomen, indien de gemeente Vianen die regels had opgenomen in het bestemmingsplan. Eisers zijn verder van mening dat de anterieure overeenkomst civielrechtelijke aspecten met betrekking tot het gebruik van de gronden regelt, die in het bestemmingsplan thuishoren omdat die afspraken directe invloed hebben op het woon- en leefklimaat.
8. Dit betoog slaagt niet. De stelling dat eisers door de handelwijze van de gemeente Vianen rechtsbescherming is onthouden, mist allereerst feitelijke grondslag. De door eisers hiervoor genoemde aspecten, namelijk dat de voorziene windturbines zullen leiden tot aanzienlijke geluidsoverlast en overlast vanwege slagschaduw, zijn onderwerp geweest van een procedure tegen de vaststelling van het bestemmingplan en beoordeeld door de ABRS in haar uitspraak van 27 mei 2015. In die uitspraak heeft de ABRS uitdrukkelijk overwogen dat de voorziene windturbines, gelet op de akoestische onderzoeken, geen onaanvaardbare geluidhinder zullen produceren en dan ook voldoen aan de in het Activiteitenbesluit opgenomen geluidsnormen. Ook het betoog van eisers dat de windturbines zullen leiden tot een onaanvaardbare hinder vanwege slagschaduw is door de ABRS in genoemde uitspraak uitdrukkelijk verworpen. Het argument van eiseres [eiser sub 2] ter zitting van de rechtbank dat de kippen hinder zullen ondervinden van de slagschaduw van de windturbines, is eveneens door de ABRS in haar uitspraak beoordeeld en vervolgens niet gehonoreerd.
9. Het betoog van eisers dat zij adequate en effectieve rechtsbescherming ontberen omdat de afspraken over het beperken van geluidsoverlast en slagschaduw zijn opgenomen in de anterieure overeenkomst, slaagt evenmin. De stelling dat eventueel niet nakomen van de in die overeenkomst vastgelegde verplichtingen door Eneco Wind door eisers niet bestuursrechtelijk kan worden afgedwongen, wat daarvan ook zij, is onvoldoende om die conclusie te dragen. De civiele rechter is immers restrechter.
10. In hetgeen eisers over het ontbreken van rechtsbescherming verder naar voren hebben gebracht, ziet de rechtbank evenmin aanknopingspunten voor het oordeel dat het gebonden karakter van de vergunningverlening op grond van artikel 2.10 van de Wabo in dit geval moet worden doorbroken. De stelling van eisers dat het systeem van artikel 2.10 van de Wabo zich niet verdraagt met artikel 6.24 van de Wet ruimtelijke ordening en met artikel 122 van de Woningwet in combinatie met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en 1 van de Wabo, slaagt niet. Aan artikel 2.10 van de Wabo zou slechts verbindende kracht kunnen worden ontzegd, indien sprake zou zijn van strijd met een bepaling van hogere orde. Deze door eisers genoemde bepalingen betreffen evenwel geen hogere regeling.
Het beroep van eisers op de artikelen 6 en 7 van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter in milieuaangelegenheden (Verdrag van Aarhus) en op de artikelen 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 14, eerste lid van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (Bupo), slaagt evenmin. Ook tegen besluiten die met toepassing van artikel 2.10 van de Wabo zijn genomen, staat immers bestuursrechtelijke rechtsbescherming open, zoals in de onderhavige procedure. Uit het enkele feit dat artikel 2.10 van de Wabo, bij het ontbreken van een weigeringsgrond, het bestuursorgaan geen discretionaire bevoegdheid biedt bij de besluitvorming op grond van die bepaling (het imperatief-limitatieve stelsel), en het feit dat ook de rechter die keuze van de wetgever in beginsel dient te respecteren, volgt niet dat sprake is van strijd met de door eisers genoemde verdragsbepalingen.
11.