Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2023-12-22
ECLI:NL:RBMNE:2023:7511
Bestuursrecht
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 22/5866 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2023 in de zaak tussen [eiseres], uit [woonplaats], eiseres (gemachtigde: mr. A.P. van Knippenbergh), en Belastingdienst/Toeslagen, kantoor Utrecht (gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2]). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar verzoek van 21 november 2019 om compensatie kinderopvangtoeslag over de jaren 2010, 2011 en 2012. 1.1. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 20 augustus 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 december 2022 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 12 september 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder. 8. Vanaf het moment dat een ouder zich meldt bij de UHT kan deze ouder, afhankelijk van het traject waarin de ouder zich bevindt, te maken krijgen met verschillende commissies. Het gaat dan om de Commissie van onafhankelijke deskundigen CAF en vergelijkbare zaken/toeslagen (Commissie van Wijzen), de bezwaarschriftenadviescommissie ter behandeling van bezwaren tegen een besluit op een aanvraag om compensatie (BAC) en de Commissie voor beoordeling van verzoeken om aanvullende schadevergoeding voor werkelijke schade (Commissie werkelijke schade). Dit zijn allen onafhankelijke commissies, die ieder in een afzonderlijk traject advies uitbrengen aan de UHT. De relevante feiten 9. Eiseres heeft in de jaren 2007 tot en met 2011 voor haar drie kinderen [minderjarige 1], geboren [2003], [minderjarige 2], geboren [2006] en [minderjarige 3], geboren [2008], gebruik gemaakt van kinderopvang. Zij ontving hiervoor kinderopvangtoeslag. Op 20 februari 2012 heeft eiseres de uitbetaling van de kinderopvangtoeslag per 1 januari 2012 stopgezet, maar de uitbetalingen zijn doorgelopen. Eiseres is voor de jaren 2010, 2011 en 2012 geconfronteerd met herzieningen van voorschotten en hoge terugvorderingen van kinderopvangtoeslag. Hierdoor kon eiseres de kosten voor de huur en elektriciteit niet meer betalen en is zij gestopt met haar opleiding. Ook heeft eiseres een jaar lang moeten leven van de Voedselbank. Zij leed aan depressies en slapeloosheid. Eiseres was uiteindelijk genoodzaakt om naar Engeland te verhuizen. 10. Eiseres heeft zich gemeld als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft op 21 november 2019 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2010, 2011 en 2012. De besluitvorming 11. Verweerder heeft in het bestreden besluit het bezwaar van eiseres onder verwijzing naar het advies van de Commissie van Wijzen van 28 juli 2021 en het advies van de bezwaaradviescommissie van 11 oktober 2022, ongegrond verklaard. Volgens verweerder heeft eiseres geen recht op compensatie, omdat niet aannemelijk is geworden dat er bij de terugvordering van de kinderopvangtoeslag voor de jaren 2010 tot en met 2012 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen. Eiseres komt ook niet in aanmerking voor compensatie op grond van de hardheidsregeling omdat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van hardheid. Er moet door eiseres over de jaren 2010 tot en met 2012 kinderopvangtoeslag worden terugbetaald omdat zij uiteindelijk op minder kinderopvangtoeslag recht had dan waarmee in de voorschotbeschikkingen rekening was gehouden. De toeslagen zijn gewijzigd op grond van een gewijzigd toetsingsinkomen en/of minder aantal afgenomen opvanguren dan vooraf was opgegeven. Verder is bij eiseres geen opzet of grove schuld vastgesteld. Verweerder vindt het, anders dan de BAC, niet onzorgvuldig dat de UHT het recht op compensatie voor de toeslagjaren 2008 en 2009 niet heeft beoordeeld, omdat eiseres dat pas in de bezwaarfase onder de aandacht heeft gebracht. Eiseres had dat eerder tijdens de gesprekken met haar persoonlijk zaaksbehandelaar kunnen aankaarten. De herbeoordeling van de toeslagjaren 2008 en 2009 zal verweerder alsnog laten uitvoeren door de primaire afdeling. Toeslagjaren 2008 en 2009 12. Eiseres is het er niet mee eens dat de toeslagjaren 2008 en 2009 niet zijn meegenomen in de herbeoordeling. Eiseres heeft haar bezwaren hierover pas in de bezwaarfase aangekaart, omdat zij hierover eerder niet goed is geïnformeerd en zij niet goed Nederlands spreekt. Volgens eiseres is het bestreden besluit daarom onzorgvuldig genomen. 10. De rechtbank overweegt dat eiseres blijkens haar melding van 21 november 2019 heeft verzocht om een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag vanaf 2010. Uit het formulier herstel toeslagen van 8 maart 2021, dat op basis van de gesprekken van eiseres met haar zaaksbehandelaar is opgesteld, ziet het verzoek om herbeoordeling alleen op de jaren 2010, 2011 en 2012. Uit dit gespreksverslag en het persoonlijk verhaal van eiseres zoals dat blijkt uit het dossier, volgt niet dat eiseres ook een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag voor de jaren 2008 en 2009 wenste. Eiseres heeft dat pas in bezwaar voor het eerst kenbaar gemaakt. Gelet hierop heeft verweerder de jaren 2008 en 2009 niet bij het verzoek om herbeoordeling hoeven te betrekken. 11. Op zitting heeft verweerder echter naar voren gebracht dat zijn werkwijze inmiddels is gewijzigd. Naar aanleiding van de kritiek die verweerder heeft ontvangen, neemt verweerder voortaan alle jaren waarin kinderopvangtoeslag is ontvangen standaard mee bij een verzoek om herbeoordeling. Voor het verzoek van eiseres heeft dat tot gevolg dat niet alleen voor de jaren 2008 en 2009, maar ook voor de jaren 2005, 2006 en 2007 een herbeoordeling zal plaatsvinden en dat verweerder daarover binnen een maand een beslissing zal nemen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee alsnog tegemoet is gekomen aan de beroepsgrond van eiseres, dat ook de jaren 2008 en 2009 bij haar verzoek om herbeoordeling hadden moeten worden betrokken. Gelet op het tijdens de zitting medegedeelde gewijzigde standpunt van verweerder is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit voor de herbeoordeling van jaren 2008 en 2009 niet zorgvuldig is genomen. Het beroep van eiseres is reeds daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze beroepsgrond slaagt dus. 12. De rechtbank is echter van oordeel dat de rechtsgevolgen van bestreden besluit in stand kunnen blijven. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. Toeslagjaren 2010, 2011 en 2012 13. Eiseres voert aan dat de berekening van de kinderopvangtoeslag over 2010 onjuist is, omdat die is gebaseerd op onjuiste uurtarieven. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar dat bezwaar is ongegrond verklaard. Volgens eiseres heeft verweerder echter onzorgvuldig gehandeld en moet zij daarvoor gecompenseerd worden. Voor het toeslagjaar 2011 is verweerder er ten onrechte vanuit gegaan dat eiseres op de hoogte was van de reden van de herziening van haar kinderopvangtoeslag en daardoor heeft hij volgens eiseres vooringenomen gehandeld. Ook voor 2011 moet eiseres daarom gecompenseerd worden. Voor 2012 heeft eiseres de kinderopvangtoeslag zelf stopgezet, maar is de uitbetaling van het voorschot blijven doorlopen door toedoen van verweerder. Zij heeft hierover gebeld, maar verweerder is hierop niet ingegaan. Daarbij spreekt eiseres geen goed Nederlands en was de stopzetting ook ingewikkeld voor haar. Volgens eiseres heeft verweerder vooringenomen gehandeld en moet zij daarom ook voor 2012 gecompenseerd worden. Niet gehandhaafde beroepsgrond 14. Eiseres heeft op zitting haar beroep ten aanzien van de herbeoordeling over 2010 ingetrokken. Toeslagjaar 2011 15. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij beschikking van 4 december 2010 aan eiseres een voorschot heeft verleend van € 13.565,-. Hierbij is uitgegaan van 164 opvanguren per maand voor [minderjarige 3], met een uurtarief van € 4,97, en 40 opvanguren per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met een uurtarief van € 4,95,- en een toetsingsinkomen van € 12.228,-. Naar aanleiding van een door eiseres doorgegeven wijziging van het aantal opvanguren, heeft verweerder bij beschikking van 26 januari 2011 het voorschot verhoogd naar € 16.927,-. Hierbij is uitgegaan van een gewijzigd aantal opvanguren van 152 per maand voor [minderjarige 3] en een lager uurtarief van € 4,91, en 80 opvanguren per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met een uurtarief van € 4,71. Verder is verweerder uitgegaan van een toetsingsinkomen van € 12.000,-. Bij beschikking van 30 augustus 2011 heeft verweerder het voorschot ongewijzigd vastgesteld op € 16.927,-. Hersteloperatie toeslagen 2. Vanwege de zogenoemde toeslagenaffaire heeft de Staat verschillende herstelregelingen in het leven geroepen om burgers te compenseren voor fouten die zijn gemaakt bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. De compensatie en tegemoetkoming worden door verweerder toegekend. Het herstelproces wordt uitgevoerd door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT), namens het bestuursorgaan Belastingdienst/Toeslagen. 3. De herstelregelingen waren – voor zover hier van belang – opgenomen in de artikelen 49 (hardheidsregeling), 49b (compensatieregeling) en 49c (opzet/grove schuld (O/GS)-tegemoetkomingsregeling) van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). De compensatieregeling van artikel 49b Awir is uitgewerkt in het Besluit Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken (de Compensatieregeling). 4. Op grond van deze regelingen kon aan gedupeerde ouders van de toeslagenaffaire bij wie sprake was van een behandeling op basis van institutionele vooringenomenheid of bij wie de hardheid van het wettelijke systeem tot onbillijkheden van overwegende aard leidde, compensatie of tegemoetkoming geboden worden voor onterecht misgelopen kinderopvangtoeslag, voor materiële en immateriële schade, en voor bijkomende kosten. 5. In aanvulling daarop is ook de zogenaamde Catshuisregeling tot stand gekomen. Gedupeerde ouders konden op grond van de Catshuisregeling snel een forfaitair bedrag van € 30.000,- ontvangen vooruitlopend op een verdere beoordeling. 6. Sinds 5 november 2022 zijn deze regelingen opgenomen in de nieuwe Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op niet willen uitvoeren van een herbeoordeling van de jaren 2008 en 2009 in dat besluit ; bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand worden gelaten; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.674,-; bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184,- aan eiseres vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2023. De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. 20. Gelet op wat is geoordeeld onder punt 11 is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit op dit punt. Omdat de overige beroepsgronden van eiseres niet slagen, laat de rechtbank het bestreden besluit voor het overige, en ook de rechtsgevolgen daarvan, in stand. 21. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.674,- voor verleende rechtsbijstand. (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 837,-). 22. Ook moet verweerder het griffierecht van eiseres vergoeden.