ECLI:NL:RBMNE:2024:1850
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 10969698 UE VERZ 24-58 SV/40160
Beschikking in incident van 26 maart 2024
inzake
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats] ,
verder ook te noemen: [verzoeker] ,
verzoekende partij in het verzoek,
verwerende partij in het incident,
gemachtigde: mr. M. Hartkoorn,
tegen:
de besloten vennootschap
[verweerster] B.V. tevens handelend onder de naam [handelsnaam],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verder ook te noemen: [handelsnaam] ,
verwerende partij in het verzoek,
verzoekende partij in het incident,
gemachtigde: mr. W.A. van Sambeek.
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het gewijzigde verzoekschrift van [verzoeker] van 9 februari 2024;
- het incidenteel verzoek van [handelsnaam] van 13 maart 2024 met het verzoek tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten;
- het verweerschrift in incident van 22 maart 2024.
2.1. [handelsnaam] verzoekt dat [verzoeker] zekerheid stelt voor proceskosten. [verzoeker] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
2.2. [handelsnaam] legt aan haar verzoek ten grondslag dat [verzoeker] niet langer in Nederland ( [plaats 1] ) woont, maar in [plaats 2] , in de Verenigde Arabische Emiraten, die geen partij zijn bij het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954. Uit artikel 224 lid 1 Rechtsvordering volgt dat [verzoeker] daarom verplicht is zekerheid te stellen voor de proceskosten waarin hij kan worden veroordeeld, aldus [handelsnaam] .
2.3. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] voldoende heeft onderbouwd dat hij wél in Nederland woont. [verzoeker] heeft toegelicht dat hij zijn eerdere woning, een huis aan de [straat 1] in [plaats 1] , in mei 2023 heeft moeten verlaten vanwege verkoop van de woning. [verzoeker] heeft daarna bij verschillende vrienden gelogeerd. [verzoeker] stelt dat hij sinds november 2023 verblijft op een adres bij vrienden in [plaats 3] ( [straat 2] [nummer] ). Uit een door [verzoeker] overgelegd inschrijvingsbewijs blijkt dat [verzoeker] zich op dit adres met ingang van 9 januari 2024 heeft ingeschreven bij de gemeente [gemeente] . De stelling van [handelsnaam] dat [verzoeker] in [plaats 2] , in de Verenigde Arabische Emiraten, verblijft en woont, is onvoldoende onderbouwd. Uit de door [handelsnaam] overgelegde e-mails van haar medewerkers blijkt dat [verzoeker] eerder met collega’s zijn plan heeft besproken om uit Nederland te vertrekken en naar de Verenigde Arabische Emiraten te gaan voor werk. Dat [verzoeker] dit plan daadwerkelijk heeft uitgevoerd, blijkt echter niet uit deze verklaringen. [handelsnaam] heeft ook geen andere stukken overgelegd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat [verzoeker] niet meer in Nederland woont en in [plaats 2] verblijft.
2.4. Gelet op het voorgaande ziet de kantonrechter onvoldoende grond om [handelsnaam] te volgen in haar standpunt dat [verzoeker] niet in Nederland woont. Het verzoek van [handelsnaam] om [verzoeker] te veroordelen tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten zal daarom worden afgewezen.
2.5. [handelsnaam] zal als de in het incident in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de aan de zijde van [verzoeker] gevallen kosten van het incident (€ 204,00 aan salaris advocaat).
De kantonrechter
3.1. wijst het verzoek in incident af;
3.2. veroordeelt [handelsnaam] in de proceskosten, aan de zijde van [verzoeker] tot heden begroot op € 204,00;
3.3. verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gewezen door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2024.