Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2025-02-05
ECLI:NL:RBMNE:2025:242
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: 11244320 \ UC EXPL 24-5195 WMB/61313 Vonnis van 5 februari 2025 in de zaak van [partij I] , wonend in [woonplaats] , oorspronkelijk gedaagde partij, eisende partij in het verzet, hierna te noemen: [partij I] , gemachtigde: mr. S. Springer (Ragetli B.V.), tegen [partij II] , wonend in [woonplaats] , oorspronkelijk eisende partij, verwerende partij in het verzet, hierna te noemen: [partij II] , gemachtigde: Juristu Incasso Juristen B.V. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de oorspronkelijke dagvaarding van 12 december 2023 met producties; - het tussenvonnis van 24 januari 2024; - de akte aanvullende productie van [partij II] ; - het verstekvonnis van 13 maart 2024 (met zaaknummer: 10858492 UC EXPL 23-8767, hierna: het verstekvonnis); - de verzetdagvaarding van 9 juli 2024 met productie (aan te merken als de conclusie van antwoord). 1.2. In eerste instantie is bepaald dat er een mondelinge behandeling zou plaatsvinden op 19 november 2024. Op 17 november 2024 heeft mr. Springer verzocht om de zaak aan te houden en de zitting te verplaatsen, vanwege een acute medische situatie. [partij II] heeft bezwaar gemaakt tegen dat verzoek. De kantonrechter heeft het verzoek op 18 november 2024 toegewezen, waarna er een nieuwe datum voor de mondelinge behandeling is bepaald. 1.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 januari 2025. Op de zitting is [partij I] verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. Springer. [partij II] is ook op de zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, de heer [A] , en een tolk in de Poolse taal. 1.4. Aan het eind van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat er een vonnis zal worden gewezen. 2 De kern van de zaak 2.1. [partij II] stelt dat hij € 18.000,00 aan [partij I] heeft geleend en dat [partij I] die lening in maandelijkse termijnen van 20 februari 2022 tot en met 20 juli 2022 had moeten terugbetalen. [partij I] heeft volgens [partij II] vooralsnog maar € 40,00 aan hem terugbetaald. [partij II] wil dat [partij I] de overige € 17.960,00 ook terugbetaalt en is daarom een procedure gestart. Op 13 maart 2024 is een verstekvonnis tussen partijen gewezen (met zaaknummer 10858492 UC EXPL 23-8767), waarin [partij I] is veroordeeld tot betaling van dat bedrag. Op 9 juli 2024 is [partij I] tegen het verstekvonnis in verzet gekomen. [partij I] ontkent dat hij geld van [partij II] heeft geleend en weigert daarom te betalen. Partijen mogen zich uitlaten over het voornemen van de kantonrechter om een handschriftdeskundige te benoemen. Hierna wordt uitgelegd waarom. 3 De beoordeling [partij I] is op tijd in verzet gekomen 3.1. Voordat er inhoudelijk op de beoordeling van de zaak wordt ingegaan, stelt de kantonrechter vast dat het verzet tijdig en op de juiste wijze kan worden geacht te zijn ingesteld. [partij I] heeft onweersproken gesteld dat het verstekvonnis niet aan hem in persoon is betekend en dat hij pas op 27 juni 2024 bekend werd met het bestaan daarvan, toen hij te horen kreeg dat er op grond daarvan beslag was gelegd op zijn bankrekening(en). [partij I] heeft vervolgens binnen de daarvoor geldende termijn van vier weken op 9 juli 2024 verzet ingesteld. [partij I] kan daarom in zijn verzet worden ontvangen. Het is niet duidelijk of [partij I] de leningsovereenkomst heeft ondertekend 3.2. [partij II] stelt in deze procedure dat [partij I] geleend geld aan hem moet terugbetalen. Het is daarom ook aan [partij II] om te onderbouwen en zo nodig te bewijzen dat [partij I] dat geld van hem heeft geleend. Daartoe heeft [partij II] een leningsovereenkomst overgelegd, die volgens hem op 15 januari 2022 door [partij I] is ondertekend. In de leningsovereenkomst is opgenomen dat [partij II] € 18.000,00 aan [partij I] ter beschikking stelt, dat [partij I] erkent dat dat bedrag ter beschikking is gesteld, en dat [partij I] dat bedrag in zes maandelijkse termijnen moet terugbetalen. 3.3. Tijdens de zitting heeft [partij II] uitgelegd dat hij het geld op verschillende momenten in 2019 en 2020 aan [partij I] heeft gegeven. [partij II] heeft daarbij wisselend verklaard over hoe het geld aan [partij I] ter beschikking is gesteld, in welke valuta dat is gedaan, om welke bedragen het ging, en waarvoor [partij I] het geld nodig had. In antwoord op een vraag van de kantonrechter heeft [partij II] bevestigd dat hij de volgende bedragen aan [partij I] ter beschikking heeft gesteld: - in 2019 een bedrag van € 8.000,00 voor de bruiloft van [partij I] ; - in 2019 een bedrag van € 4.000,00, uitbetaald in Poolse Zloty’s, ook voor de bruiloft van [partij I] ; - in 2020 een bedrag van € 5.000,00 voor de aankoop van een auto; - twee keer een bedrag van € 550,00, betaald aan een instructeur voor een vaaropleiding die [partij I] en zijn vrouw hebben gevolgd. 3.4. Volgens [partij II] is met het contract dat hij heeft overgelegd in 2022 vastgelegd dat [partij I] de bovenstaande bedragen van hem had geleend en dat hij die moest terugbetalen, omdat het op dat moment slecht ging met hun gezamenlijke bedrijf en [partij II] (daardoor) zijn vertrouwen in [partij I] was verloren. 3.5. [partij I] ontkent dat hij een leningsovereenkomst met [partij II] heeft gesloten. Hij zegt dat hij de overgelegde leningsovereenkomst nooit eerder heeft gezien en dat de handtekening die daaronder volgens [partij II] door hem is gezet, nep is. Hij wijst er daarbij op dat de handtekening niet overeenkomt met de handtekening op zijn rijbewijs, zoals volgens hem blijkt uit een foto van zijn rijbewijs die hij heeft overgelegd. 3.6. Gelet op het verweer van [partij I] , staat het (vooralsnog) niet vast dat [partij I] de leningsovereenkomst heeft ondertekend, aangezien hij stellig de echtheid van de handtekening daarvan heeft betwist. De wet schrijft voor dat [partij II] zich in dat geval pas op de leningsovereenkomst kan beroepen als bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is. De eindbeslissing hangt af van de vraag of de handtekening van [partij I] is 3.7. Zolang niet duidelijk is of de handtekening echt is, kan de kantonrechter geen eindbeslissing nemen, aangezien de uitkomst van de procedure daarvan afhankelijk is. Als vast komt te staan dat [partij I] de leningsovereenkomst heeft ondertekend, dan levert de leningsovereenkomst dwingend bewijs op dat [partij I] geld van [partij II] heeft ontvangen en dat hij dat geld moet terugbetalen. De vorderingen van [partij II] zullen in dat geval daarom worden toegewezen. Als de handtekening niet van [partij I] is, zullen de vorderingen van [partij II] worden afgewezen. [partij II] kan zich dan niet op de leningsovereenkomst beroepen en de kantonrechter is van oordeel dat [partij II] in dat geval onvoldoende heeft onderbouwd dat hij geld aan [partij I] ter beschikking heeft gesteld. 3.8. [partij II] heeft ter onderbouwing van zijn stellingen naast de leningsovereenkomst tijdens de zitting een stuk overgelegd en een stuk laten zien. Het overgelegde stuk is een bankafschrift, waarop is te zien dat [partij II] op 27 juli 2019 een opname van € 8.000,00 heeft gedaan bij een Poolse bank. Op het andere stuk was te zien dat [partij II] twee keer € 550,00 heeft betaald aan een derde, waarvan hij zegt dat dat de vaarinstructeur van [partij I] is. Verder heeft [partij II] tijdens de zitting uitgelegd dat hij tot januari 2022 alle zaken met [partij I] op goed vertrouwen afhandelde, waardoor hij geen andere stukken tot zijn beschikking heeft om zijn stellingen verder te onderbouwen. 3.9. [partij I] heeft betwist dat hij het opgenomen geld van [partij II] heeft gekregen en dat de betalingen aan de derde voor hem zijn gedaan. Uit de stukken volgt ook niet dat dat het geval is geweest. Daarop is namelijk alleen te zien dat [partij II] het geld heeft opgenomen en dat hij aan een derde geld heeft betaald, maar meer niet. Als [partij II] zich niet op de leningsovereenkomst kan beroepen, komt het daarom naar oordeel van de kantonrechter niet vast te staan dat hij geld aan [partij I] heeft geleend. Er zal een deskundigenonderzoek worden bevolen 3.10.
Toegepaste wetsartikelen
- Artikel 190 — De wijze van procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad
- Artikel 159 — De wijze van procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad
- Artikel 187 — De wijze van procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad
- Artikel 143 — De wijze van procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad
- Artikel 186 — De wijze van procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad
- Artikel 157 — De wijze van procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad