Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-01-27
ECLI:NL:RBMNE:2026:659
beschikking RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND afdeling toezicht locatie Lelystad afkondigen afkoelingsperiode rekestnummer: 604987 FT RK 26-1 uitspraakdatum: 27 januari 2026 in de zaak van: de besloten vennootschap [verzoekster] B.V. , statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , verzoekster, hierna te noemen: [verzoekster] , advocaat: mr. J. van den Dolder te Zuid-Beijerland. belanghebbende: de coöperatie [belanghebbende] U.A. , statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , belanghebbende, hierna te noemen: [belanghebbende] , advocaat: mr. A.M. Mennens te Utrecht. 1 De kern van de beslissing 1.1. In deze beslissing wordt een op 8 januari 2026 voorlopig verleende afkoelingsperiode definitief afgekondigd. De duur van de afkoelingsperiode is vier maanden. Dit betekent dat schuldeisers van [verzoekster] geen verhaalsmaatregelen mogen nemen en dat niet het faillissement van [verzoekster] kan worden uitgesproken. 1.2. [verzoekster] heeft de afkoelingsperiode nodig om een akkoord te kunnen voorbereiden en aanbieden aan haar schuldeisers. Dit akkoord is mede in hun belang, omdat daarmee meer waarde wordt gerealiseerd dan in het geval van een liquidatie van [verzoekster] . De stellingen van [verzoekster] en [belanghebbende] geven geen aanleiding om nadere voorzieningen te treffen ter beveiliging van de individuele belangen van [belanghebbende] . 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure volgt uit: - de startverklaring van 5 januari 2026, - het verzoekschrift van [verzoekster] van 5 januari 2026, - de beschikking van 8 januari 2026, - de aanvullende stukken van de zijde van [verzoekster] van 12 januari 2026, - de zienswijze van [belanghebbende] van 14 januari 2026. 2.2. Het verzoek is op 16 januari 2026 tijdens een behandeling in raadkamer behandeld en nader toegelicht. In raadkamer zijn, door middel van een video-verbinding, verschenen en gehoord: - de heer [A] , bestuurder van [verzoekster] , - mevrouw mr. J. van den Dolder, advocaat, - de heer [B] , adviseur van [verzoekster] , - de heer [C] , namens [belanghebbende] , - mevrouw mr. A.M. Mennens, advocaat, - de heer [D] , namens belanghebbende NS, - de heer [E] , namens belanghebbende NS. 3 De achtergronden 3.1. [verzoekster] is een mobiliteitsdienstverlener. Zij beheert een digitaal platform (app) waarmee particulieren en werknemers van zakelijke klanten mobiliteitsdiensten kunnen afnemen van verschillende aanbieders van, onder meer, parkeerfaciliteiten, OV-reisdiensten, steps en fietsen. [verzoekster] incasseert de kosten voor de verleende dienst en draagt deze conform een afgesproken verdeelsleutel periodiek af aan haar opdrachtgevers. Particuliere klanten contracteren rechtstreeks met [verzoekster] . Zakelijke klanten contracteren met een dochtermaatschappij van [verzoekster] , de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ). [bedrijf 1] betaalt maandelijks aan [verzoekster] voor het gebruik van het platform en andere diensten. 3.2. De aandelen in het kapitaal van [verzoekster] worden gehouden door zeven verschillende partijen. De bestuurder en meerderheidsaandeelhouder is [bedrijf 2] B.V., waarvan de heer [A] de bestuurder is. [verzoekster] houdt zelf alle aandelen in het kapitaal van [bedrijf 1] . 3.3. [verzoekster] is in financiële problemen geraakt door de coronamaatregelen, waardoor er veel minder werd gereisd. Vervolgens zijn in 2022 nieuwe mobiliteitsafspraken niet of pas veel later doorgevoerd. [verzoekster] heeft vervolgens gereorganiseerd, kosten gereduceerd en nieuwe opdrachtgevers gezocht. De operationele herstructurering was eind 2023 afgerond. De schuldenlast van [verzoekster] is op dit moment te hoog voor de omvang van haar onderneming. [verzoekster] heeft een totale schuldenlast van ongeveer € 8,9 miljoen. Zij heeft schulden aan gelieerde vennootschappen en haar aandeelhouders (€ 5 miljoen), aan de Belastingdienst (€ 1,9 miljoen), aan Rabobank (€ 290.000) en handelscrediteuren (€ 1,6 miljoen). Het eigen vermogen van [verzoekster] per 30 november 2025 was -/- € 2,8 miljoen, met een balanstotaal van € 6,5 miljoen. 3.4. [verzoekster] heeft een cashflow-prognose overgelegd. Het vooruitzicht op het aan te bieden akkoord laat een meerwaarde van ongeveer € 350.000 tot € 400.000 zien, op basis van eerste inschattingen van de liquidatie- en reorganisatiewaarde. In het geval van een faillissement zal enkel de preferente Belastingdienst hoogstwaarschijnlijk een gedeeltelijke uitkering ontvangen. 3.5. [verzoekster] is gestart met de voorbereidingen van een akkoord. [verzoekster] vreest dat mogelijke incassomaatregelen, waaronder het aanvragen van een faillissement of beslagleggingen, het voortgaan met ondernemen frustreren. De directe aanleiding hiervoor is dat zij een betalingsregeling met een van haar schuldeisers, die eerder beslag had gelegd, niet meer kan nakomen. [verzoekster] vreest hierdoor opnieuw beslagleggingen. 3.6. [verzoekster] heeft gekozen voor een besloten akkoordprocedure. Zij doet een verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode voor de duur van vier maanden. [verzoekster] zegt toe dat zij binnen een termijn van ten hoogste twee maanden een akkoord zal aanbieden. 3.7. [belanghebbende] is één van de opdrachtgevers van [verzoekster] . [verzoekster] faciliteert [belanghebbende] met de verhuur van parkeerplaatsen en het innen van parkeergelden. [verzoekster] incasseert de gelden en betaalt deze maandelijks achteraf door aan [belanghebbende] . Het gaat maandelijks gemiddeld om een bedrag van ongeveer € 56.0000. [verzoekster] heeft een aanzienlijke achterstand laten ontstaan in de doorbetalingen en [belanghebbende] vreest dat ook toekomstige doorbetaalverplichtingen onbetaald zullen blijven. 4 De beoordeling Rechtsmacht en bevoegdheid 4.1. Omdat de rechtbank zich in het kader van deze akkoordprocedure buiten faillissement eerder (relatief) bevoegd heeft verklaard, is zij gelet op artikel 369 lid 8 Faillissementswet (hierna: Fw) eveneens bevoegd kennis te nemen van het voorliggende verzoek. Afkoelingsperiode 4.2. [verzoekster] heeft in haar verzoekschrift toegezegd dat zij binnen twee maanden een akkoord zal aanbieden, zodat [verzoekster] kan worden ontvangen in haar verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode. Op grond van artikel 376 lid 4 Fw wordt het verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode toegewezen indien summierlijk blijkt dat aan drie vereisten wordt voldaan, namelijk (1) dat dit noodzakelijk is om de door de schuldenaar gedreven onderneming tijdens de voorbereiding van en de onderhandelingen over een akkoord te kunnen blijven voortzetten of om de door schuldenaar gedreven onderneming door middel van een akkoord gecontroleerd af te kunnen wikkelen, (2) dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers hierbij gediend zijn en (3) dat de door de afkoelingsperiode getroffen derden niet wezenlijk in hun belangen worden geschaad. 4.3. Een afkoelingsperiode is op dit moment noodzakelijk in het kader van de voorbereidingen van het voorgenomen akkoord. [verzoekster] heeft meerdere schuldeisers die aandringen op betaling, al dan niet onder druk van incassomaatregelen (beslaglegging) of het aanvragen van het faillissement. Omdat [verzoekster] in het kader van haar bedrijfsvoering gelden van derden zal moeten doorbetalen, zoals in het geval van [belanghebbende] , zal een beslaglegging haar bedrijfsvoering direct in gevaar brengen. Van een akkoord zal dan geen sprake meer kunnen zijn. Vooral voor de zakelijke opdrachtgevers van [verzoekster] is het van belang dat zij en hun werknemers voorlopig gebruik kunnen blijven maken van de dienstverlening van [verzoekster] . 4.4. Uit de cash-flowprognose die [verzoekster] heeft overgelegd, volgt dat gedurende de afkoelingsperiode de positie van de gezamenlijke schuldeisers niet zal verslechteren. Omdat aannemelijk is dat de totstandkoming van een akkoord voor die schuldeisers meer zal opleveren dan een liquidatie, geldt dat de afkoelingsperiode in het belang is van de gezamenlijke schuldeisers. Hierover wordt het volgende opgemerkt. 4.5. Ten aanzien va de cash-flowprognose valt op dat [verzoekster] voor haar bedrijfsvoering in hoge mate afhankelijk is van opbrengsten uit [bedrijf 1] .