Rechtspraak Rechtbank Noord-Holland 2017-12-19
ECLI:NL:RBNHO:2017:10592
Bestuursrecht
RECHTBANK NOORD-HOLLAND Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 17/5052 uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 december 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen Stichting Dierenradar, te Stolwijk, verzoekster (gemachtigde: mr. M. van Duijn), en het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, verweerder (gemachtigde: mr. R.D. Reinders). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting Faunabeheereenheid Noord-Holland, te Haarlem, (gemachtigde: mr. T. van der Weijde). Bij besluit van 18 juli 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten tot gedeeltelijke goedkeuring van het Faunabeheerplan Algemene Soorten 2017-2023 (Faunabeheerplan) van de Stichting Faunabeheereenheid Noord-Holland. Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2017. Namens verzoekster is verschenen, haar voorzitter [naam 1] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Blondelle-Zuidema, W.F.A. van Dijk, H. Schoordijk en P.H. van der Kolk, bijgestaan door zijn gemachtigde. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] en [naam 3] . De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2017. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. 1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 2. De vraag of verzoekster gelet op haar statutaire doelstelling en feitelijke werkzaamheden aangemerkt dient te worden als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht is ter zitting uitgebreid besproken. De voorzieningenrechter geeft daar geen oordeel over en gaat er in deze uitspraak bij wijze van veronderstelling vanuit dat verzoekster als belanghebbende kan worden aangemerkt. Relevante regelgeving 3.1. Ingevolge artikel 3.12, eerste lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn er faunabeheereenheden die voor hun werkgebied een faunabeheerplan vaststellen. Het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht geschieden overeenkomstig het faunabeheerplan. Ingevolge het tweede lid heeft een faunabeheereenheid de rechtsvorm van een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid of een stichting. In het bestuur van een faunabeheereenheid zijn in ieder geval de jachthouders uit het werkgebied van de faunabeheereenheid en maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de regio waartoe het werkgebied van de faunabeheereenheid behoort, vertegenwoordigd. Op uitnodiging van het bestuur van de faunabeheereenheid kunnen vertegenwoordigers van andere dan de in de tweede volzin bedoelde maatschappelijke organisaties en wetenschappers op het gebied van faunabeheer deelnemen aan de vergaderingen van het bestuur en het bestuur adviseren. Ingevolge het zevende lid – voor zover hier van belang – behoeft het faunabeheerplan de goedkeuring van gedeputeerde staten van de provincie waarin de faunabeheereenheid werkzaam is. Een goedgekeurd faunabeheerplan wordt openbaar gemaakt door de betreffende faunabeheereenheid. 3.2. Ten opzichte van artikel 29, eerste lid, van de Flora- en Faunawet – dat tot 1 januari 2017 gold – is er sprake van een aanvulling in die zin dat naast jachthouders ook maatschappelijke organisaties in een bestuur van een faunabeheereenheid vertegenwoordigd dienen te zijn. Deze aanvulling is bij het amendement Rudmer, Heerema en Leenders toegevoegd aan de Wnb. 3.3. De Verordening faunabeheer Noord-Holland (Verordening) is na de voordracht daartoe van verweerder van 22 augustus 2017, bij besluit van Provinciale Staten van 13 november 2017 gewijzigd. Artikel 2.2 van de Verordening faunabeheer Noord-Holland (Verordening) luidt nu als volgt: 1. In het bestuur van een faunabeheereenheid zijn tenminste vertegenwoordigd: a. agrariërs; b. particuliere grondeigenaren; c. verenigingen van jagers; d. minimaal twee maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren; werkzaam binnen het werkgebied van de betreffende faunabeheereenheid. 2. De in het eerste lid, onderdeel d, bedoelde maatschappelijke organisaties hebben gezamenlijk minimaal twee zetels in het bestuur van de faunabeheereenheid. 3. Een faunabeheereenheid nodigt in ieder geval de volgende organisaties uit bij haar vergaderingen aanwezig te zijn en hen te adviseren: a. Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren b. Stichting De Faunabescherming c. Vogelbescherming Nederland Standpunten van partijen 4.1. Verzoekster voert aan dat het primaire besluit in strijd met artikel 3.12, tweede lid, van de Wnb is genomen nu in het bestuur van de Faunabeheereenheid niet ten minste twee maatschappelijke organisaties zijn vertegenwoordigd die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren. In het bestuur van de Faunabeheereenheid zijn op dit moment uitsluitend jachthouders vertegenwoordigd, zo stelt verzoekster. Daarmee is het Faunabeheerplan niet rechtsgeldig tot stand gekomen en heeft verweerder ten onrechte goedkeuring verleend aan het Faunabeheerplan. Verzoekster vraagt de voorzieningenrechter het besluit tot goedkeuring van het Faunabeheerplan te schorsen. 4.2. Verweerder wijst erop dat hij inmiddels de Verordening heeft gewijzigd en in overeenstemming heeft gebracht met artikel 3.12, tweede lid, van de Wnb. Verder voert verweerder aan dat de Faunabeheereenheid doende is haar bestuurssamenstelling aan te passen door aan het bestuur in ieder geval één zetel toe te voegen die wordt ingenomen door het samenwerkingsverband van vier agrarische collectieven in Noord-Holland te weten de Agrarische Natuur- en Landschapsvereniging De Lieuw Texel, de Vereniging Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer Water, Land en Dijken, het Agrarisch Collectief Noord-Holland Zuid en de Agrarische Natuurvereniging Hollands Noorden. Deze agrarische collectieven zijn elk voor zich maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, aldus verweerder. Samen met de nu reeds in het bestuur door terreinbeherende organisaties ingevulde zetel, is derhalve voldaan aan de eis uit artikel 3.12, tweede lid, van de Wnb gelezen in samenhang met het onlangs gewijzigde artikel 2.2, eerste lid, van de Verordening, dat twee maatschappelijke organisaties moeten zijn vertegenwoordigd in het bestuur. Dat deze maatschappelijke organisaties ook jachthouder zijn maakt, aldus verweerder, niet dat niet voldaan wordt aan de tekst van de wet. Het nieuwe bestuur zal vervolgens het besluit tot vaststelling van het Faunabeheerplan bekrachtigen. Het nieuwe bestuurslid, heeft in een verklaring al toegezegd in te stemmen met deze bekrachtiging. Verweerder stelt verder, onder verwijzing naar paragraaf 1.1.3 (pagina 24) van het Faunabeheerplan, dat het Faunabeheerplan zelf zorgvuldig en in samenspraak met maatschappelijke organisaties en met wetenschappelijke inbreng tot stand is gekomen. Het in deze procedure aan de orde gestelde geschilpunt over de zetelverdeling in het bestuur van de Faunabeheereenheid is van formele aard en wordt binnenkort hersteld. Verweerder wijst er op dat schorsen van de goedkeuring grote gevolgen heeft voor het beheer en de schadebestrijding. 4.3. Van de kant van de Faunabeheereenheid is ter zitting aangegeven dat de heer [naam 4] , namens de agrarische collectieven in Noord-Holland, al in oktober 2017 is benoemd en toegetreden tot het bestuur van de Faunabeheereenheid. In de bestuursvergadering van 20 december 2017 zullen de statuten aangepast worden. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.. 5.1. De voorzieningenrechter stelt vast dat het bestuur van de Faunabeheereenheid dat het Faunabeheerplan heeft vastgesteld niet voldeed aan de eisen van artikel 3.12, tweede lid, van de Wnb. Gelet hierop had verweerder het Faunabeheerplan niet mogen goedkeuren. De voorzieningenrechter ziet hierin evenwel geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter acht daartoe van belang dat het om een herstelbaar gebrek gaat en dat – voor zover het er nu uitziet – het Faunabeheerplan vóór de beslissing op bezwaar zal zijn bekrachtigd door een nieuw bestuur dat wel voldoet aan de eisen zoals gesteld in artikel 3.12, tweede lid, van de Wnb en artikel 2.2, eerste lid, van de Verordening.