Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2017-04-21
ECLI:NL:RBNHO:2017:4924
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,120 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer: HAA 16/4711
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2017 in de zaak tussen
[X] , wonende te [Z] , eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2015 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 151.654 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van
€ 1.321.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
Feiten
1. Op 1 januari 2015 bestond het box 3 vermogen van eiser uit bank- en spaartegoeden tot een bedrag van € 12.636 en effecten tot een bedrag van € 41.726.
2. Eiser heeft aangifte ib/pvv 2015 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 151.654 (€ 124.654 na persoonsgebonden aftrek) en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.321. De aangegeven rendementsgrondslag voor het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen bedroeg € 33.032 (€ 54.362 minus € 21.330 heffingsvrij vermogen).
3. De aanslag ib/pvv voor het jaar 2015 is met dagtekening 3 juni 2016 conform de aangifte opgelegd.
Geschil
4. In geschil is of een forfaitaire vermogensrendementsheffing die hoger is dan het feitelijk behaalde rendement een inbreuk maakt op het recht op ongestoord genot van eigendom en daarmee in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EP EVRM).
5. Eiser beantwoordt deze vraag bevestigend en voert daartoe aan dat de wetgever door de hogere heffing het vermogen van de burger onrechtmatig uitholt dan wel de burger ertoe dwingt risicovol te beleggen zonder dat de wetgever eventuele verliezen op zo’n belegging in aftrek toestaat. Eiser beroept zich op de Hoge Raad, waarmee –naar de rechtbank begrijpt – in het bijzonder wordt bedoeld het arrest van de Hoge Raad van 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:812, en het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1129. Eiser stelt dat beoordeeld naar het jaar 2015 sprake is van een situatie waarin het forfaitair vastgestelde rendement gedurende een langere periode is gebaseerd op een onhaalbaar rendement.
6. Verweerder beantwoordt deze vraag ontkennend en voert daartoe - samengevat - het volgende aan. Eiser laat op geen enkele wijze zien wat het feitelijk door hem behaalde rendement op zijn box-3 vermogen (spaarsaldi en beleggingen) is. Het door de Hoge Raad bedoelde feitelijk behaalde rendement is niet beperkt tot de behaalde rente op spaartegoeden. Verweerder betwist dat een heffing van € 396 leidt tot een buitenproportionele last als bedoeld in artikel 1 van het EP EVRM. De wetgever heeft zich de kritiek op de vermogensrendementsheffing aangetrokken, wat tot wijziging van de vermogensrendementsheffing per 1 januari 2017 heeft geleid.
Overwegingen
Ontvankelijkheid
7. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het niet binnen de wettelijke termijn van zes weken is ingediend. De rechtbank overweegt als volgt. De uitspraak op bezwaar heeft als dagtekening 25 augustus 2016. Het op 25 september 2016 gedagtekende beroepschrift is op 30 september 2016 door de rechtbank ontvangen. Dit is binnen de wettelijke termijn van zes weken na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. Het beroep is derhalve tijdig ingediend.
Inhoudelijk
8. De Hoge Raad heeft in zijn hiervoor genoemde arrest van 3 april 2015 over de vermogensrendementsheffing voor het jaar 2010 als volgt geoordeeld:
“2.3.1. De heffing van inkomstenbelasting over de inkomsten uit sparen en beleggen vindt met ingang van 2001 op forfaitaire wijze plaats in box 3. […] Dit forfaitaire stelsel is naar de opzet van de wetgever ‘robuust’ en daardoor enigszins ruw, aangezien het niet afhankelijk is gesteld van het werkelijke rendement van de bezittingen gedurende het jaar. De wetgever achtte dat uitgangspunt gerechtvaardigd omdat:
“daarmee op een globale maar aanvaardbare wijze zou kunnen worden aangesloten bij de rendementen die belastingplichtigen in de praktijk, indien dit over een langere periode wordt bezien, gemiddeld zouden moeten kunnen behalen zonder dat zij daar (veel) risico voor hoeven te nemen. In zoverre kan derhalve niet worden gesteld dat in het concept van de forfaitaire rendementsheffing geen rekening wordt gehouden met de omvang van de werkelijk genoten inkomsten uit vermogen.”
(Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, blz. 263).
2.3.2. Van dit forfaitaire stelsel kan, gelet op voormelde uitgangspunten, niet worden gezegd dat het elke redelijke grond ontbeert. Gelet op de ruime beoordelingsmarge die de wetgever op het terrein van het belastingrecht toekomt, is dit stelsel niet in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: het EP) (vgl. HR 28 oktober 2012, nr. 10/03727, ECLI:NL:HR:2011:BR0664, BNB 2011/297). Dit stelsel zou slechts dan in strijd komen met artikel 1 van het EP indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last. […] Voor het aannemen van een inbreuk op artikel 1 van het EP is niet voldoende dat het rendement van bepaalde bezittingen – zoals in het onderhavige geval onder de huurbescherming vallende verhuurde woningen – structureel blijft beneden vier percent van het daarin geïnvesteerde bedrag, ook niet indien de bezittingen van de belastingplichtige in box 3 vooral uit dergelijke bezittingen bestaan.”
9. De Hoge Raad heeft in zijn hiervoor genoemde arrest van 10 juni 2016 over de vermogensrendementsheffing voor het jaar 2011 als volgt geoordeeld:
“4.1.1. Bij de totstandkoming van box 3 met ingang van 2001 heeft de wetgever het forfaitaire rendement bepaald op vier percent. Dit percentage is niet afhankelijk gesteld van het werkelijke rendement van de bezittingen gedurende het jaar. De wetgever achtte dat gerechtvaardigd omdat:
“daarmee op een globale maar aanvaardbare wijze zou kunnen worden aangesloten bij de rendementen die belastingplichtigen in de praktijk, indien dit over een langere periode wordt bezien, gemiddeld zouden moeten kunnen behalen zonder dat zij daar (veel) risico voor hoeven te nemen. In zoverre kan derhalve niet worden gesteld dat in het concept van de forfaitaire rendementsheffing geen rekening wordt gehouden met de omvang van de werkelijk genoten inkomsten uit vermogen.”
(Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, blz. 263).
2.4.1.2. Van de wetgever mag worden verlangd dat een forfaitair stelsel, waaraan een zekere ruwheid inherent is, zodanig wordt vormgegeven dat daarmee wordt beoogd de werkelijkheid te benaderen (vgl. HR 12 mei 1999, nr. 33320, ECLI:NL:HR:AA2756, BNB 1999/271). Bij de vaststelling van het forfaitaire rendementspercentage op vier percent heeft de wetgever dan ook terecht aansluiting gezocht “bij de rendementen die belastingplichtigen in de praktijk, indien dit over een langere periode wordt bezien, gemiddeld zouden moeten kunnen behalen zonder dat zij daar (veel) risico voor hoeven te nemen”.
2.4.1.3. Van het forfaitaire stelsel van box 3 kan, gelet op voormelde uitgangspunten, niet worden gezegd dat het elke redelijke grond ontbeert. Gelet op de ruime beoordelingsmarge die de wetgever op het terrein van het belastingrecht toekomt, is dit stelsel niet in strijd met artikel 1 EP. Dit stelsel zou slechts dan in strijd komen met artikel 1 EP indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last (zie HR 3 april 2015, nr. 13/04247, ECLI:NL:HR:2015:812, BNB 2015/174). Indien deze onhaalbaarheid duidelijk zou worden en de wetgever ervoor kiest uit te blijven gaan van een forfaitair rendement, mag van hem worden verlangd dat hij de regeling aanpast teneinde de beoogde benadering van de werkelijkheid te herstellen.
[…]
2.5.2. Anders dan het middel betoogt is voor het aannemen van een inbreuk op artikel 1 EP niet voldoende dat het rendement van een bepaalde bezitting – in dit geval de woning – structureel blijft beneden de vier percent van het daarin geïnvesteerde vermogen. Het middel dat slechts het negatieve rendement van de woning in aanmerking neemt, faalt derhalve;[…]”
10. De Hoge Raad heeft in voormelde arresten geoordeeld dat het forfaitaire stelsel van de vermogensrendementsheffing voor de jaren 2010 en 2011 niet in strijd is met artikel 1 van het EP EVRM. Ter beoordeling ligt thans voor of het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier procent in 2015 niet meer haalbaar is.
11. De rechtbank overweegt dat op 13 maart 2017 door deze rechtbank uitspraak is gedaan op het door eiser ingediende, nagenoeg gelijkluidende, beroepschrift tegen de uitspraak op het bezwaar tegen de aanslag ib/pvv 2014 (de uitspraak). De rechtbank ziet geen gronden om voor het onderhavige jaar 2015 anders te oordelen.
12. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van eiser dat de wetgever de belastingplichtige dwingt risicovol te beleggen om een rendement van 4% te kunnen behalen en daarmee een buitensporig zware last oplegt in de zin van artikel 1 van het EP EVRM. Hoewel niet uitgesloten kan worden dat de keuze van de wetgever voor een forfaitair rendement van 4% van invloed is op de beleggingsstrategie van een belastingplichtige, is van enige dwang ten aanzien van de bestemming van het vermogen geen sprake. Bovendien valt niet in te zien hoe enige invloed van de keuze van de wetgever voor een rendement van 4% op de beleggingsstrategie van de belastingplichtige tot schending van artikel 1 van het EP EVRM kan leiden.
13. Verweerder voert aan dat het door de wetgever veronderstelde rendement van 4% in 2015 nog steeds haalbaar is en brengt daartoe het volgende naar voren. Uit het onderzoek dat is verricht ten behoeve van de wijziging van de vermogensrendementsheffing met ingang van 1 januari 2017 is gebleken dat het rendement op spaartegoeden weliswaar sinds enige tijd beneden 4% ligt, maar dat het rendement op aandelen, obligaties en onroerende zaken in het verleden over een langere periode gemiddeld 5,5% heeft bedragen, en dat het forfaitair rendement voor het totale box 3 vermogen nog dicht wordt benaderd.
14. Bij de verdere beoordeling van het geschil stelt de rechtbank het volgende voorop.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.L. Scholte, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2017.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,
1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.