ECLI:NL:RBNHO:2022:7041
vonnis
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats [plaats]
zaaknummer / rolnummer: C/15/310214 / HA ZA 20-731
Vonnis van 10 augustus 2022
in de zaak van
1 [eiser 1],
2. [eiser 2],
beiden wonende te [plaats],
eisers in conventie,
verweerders in reconventie,
advocaat mr. M.B.J. Thijssen te Nijmegen,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [plaats],
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. M.E.M. Vermeij te [plaats].
Partijen zullen hierna [eiser 1] c.s. en [gedaagde] genoemd worden.
1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 16 maart 2022,
de akte uitlaten tussenvonnis van [gedaagde],
de akte uitlaten tussenvonnis tevens akte voorwaardelijke vermindering / wijziging van eis van [eiser 1] c.s.,
de akte uitlaten wijziging van eis in conventie tevens houdende wijziging van eis in reconventie van [gedaagde],
het rolbericht van [eiser 1] c.s. van 8 juni 2022.
1.2. Ten slotte is eindvonnis bepaald op heden.
2 De zaak in het kort
2.1. Partijen zijn buren. Zij hebben een geschil over de uitleg van een erfdienstbaarheid inhoudende een recht van doorgang door het pand van [gedaagde], om vanaf de [adres 1] te komen en gaan naar het pand van (o.a.) [eiser 1] c.s. aan de [adres 2]. Ook twisten partijen over de vraag of (o.a.) [eiser 1] c.s. de aanwezigheid van het door [gedaagde] gerealiseerde dakterras dienen de dulden onder de titel van een door verjaring ontstaan recht van erfdienstbaarheid. In het tussenvonnis van 16 maart 2022 heeft de rechtbank reeds geanticipeerd op de beantwoording van beide vragen en is de zaak naar de rol verwezen voor akte uitlating partijen, onder meer teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de gewenste voortzetting van de procedure en de vraag welke partij de andere appartementseigenaren in het geding diende(n) op te roepen.
3Het (gewijzigde) geschil in conventie
3.1. [eiser 1] c.s. hebben in hun akte uitlaten tussenvonnis een voorwaardelijke eiswijziging ingesteld. De rechtbank begrijpt de voorwaardelijke eiswijziging van [eiser 1] c.s. aldus dat zij I) hun vorderingen onder III en IV in conventie intrekken indien de rechtbank tot het oordeel zou komen dat [eiser 1] c.s. de meest gerede partij zijn de overige appartementseigenaren in het geding op te roepen en II) [eiser 1] c.s. de rechtbank, voor zover zij de vordering sub III in reconventie toewijst, verzoekt dat te doen onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat [gedaagde] op het dakterras een behoorlijke afscherming opricht die het zicht in de tuin en de woning van [eiser 1] c.s. wegneemt.
3.2. [gedaagde] verweert zich, zo begrijpt de rechtbank, tegen de voorwaardelijke intrekking van de vorderingen onder III en IV in conventie, omdat een dergelijke voorwaardelijke intrekking, die afhankelijk wordt gesteld van een beslissing van de rechtbank, procedureel niet mogelijk is. [eiser 1] c.s. hadden hun vorderingen onder III en IV in het petitum onvoorwaardelijk moeten intrekken om het door hen beoogde doel te bereiken, aldus [gedaagde].
4Het (gewijzigde) geschil in reconventie
4.1. [gedaagde] heeft haar vordering sub III in reconventie gewijzigd in die zin dat deze thans luidt als volgt:
III.
Primair:
dat de rechtbank voor recht verklaart dat door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan, inhoudende de last dat de eigenaar van de appartementsrechten, plaatselijk bekend [adres 3] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie H, complexaanduiding [kadaster nummer 1], appartementsindex 1 en appartementsindex 2, als dienend erf/dienende erven, ten behoeve van de eigenaar van het perceel, plaatselijk bekend [adres 4] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie H nummer [kadaster nummer 2], als heersend erf, de aanwezigheid van het dakterras met hekwerk op de uitbouw aan de achterzijde van het gebouw op het heersend erf, gelegen tegen de erfgrens van het dienende erf/de dienende erven, alsmede het uitzicht vanaf het dakterras van het heersende erf op het perceel van het dienend erf/de dienende erven dient te dulden,
Subsidiair:
dat de rechtbank voor recht verklaart dat door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan, inhoudende de last dat de gezamenlijk eigenaren van het in appartementsrechten gesplitste perceel, plaatselijk bekend [adres 3] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie H nummer [kadaster nummer 3], als dienend erf c.q. dat de eigenaar van de appartementsrechten, plaatselijk bekend [adres 3] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie H, complexaanduiding [kadaster nummer 1], appartementsindex 1 en appartementsindex 2, alsmede de eigenaar van het appartementsrecht, plaatselijk bekend [adres 5] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie H, complexaanduiding [kadaster nummer 1], appartementsindex 3 alsmede de eigenaar van het appartementsrecht, plaatselijk bekend [adres 6] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie H, complexaanduiding [kadaster nummer 1], appartementsindex 4, als dienende erven ten behoeve van de eigenaar van het perceel, plaatselijk bekend [adres 4] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie H nummer [kadaster nummer 2], als heersend erf, de aanwezigheid van het dakterras met hekwerk op de uitbouw aan de achterzijde van het gebouw op het heersend erf, gelegen tegen de erfgrens van het dienend erf/de dienende erven, alsmede het uitzicht vanaf het dakterras van het heersende erf op het perceel van het dienend erf/de dienende erven dienen te dulden.
4.2. [eiser 1] c.s. zijn in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de eiswijziging van [gedaagde]. [eiser 1] c.s. hebben in hun rolbericht van 8 juni 2022 laten weten dat zij zich wat betreft de eiswijziging van [gedaagde] refereren aan het oordeel van de rechtbank.
5 De verdere beoordeling in conventie en in reconventie
het recht van doorgang
5.1. De rechtbank stelt vast dat partijen er niet in zijn geslaagd afspraken te maken over de reikwijdte van het recht van doorgang en de notariële vastlegging daarvan in de geest van wat daarover is beschreven in het tussenvonnis. Dit brengt mee dat de rechtbank hierover zal beslissen.
5.2. In het tussenvonnis heeft de rechtbank de volgens haar redelijke uitleg van de reikwijdte en wijze van gebruik van het recht van doorgang reeds uitgebreid weergegeven. De rechtbank verwijst naar de overwegingen 4.4 tot en met 4.9 uit het tussenvonnis. De rechtbank zal de onder I in conventie en reconventie gevorderde verklaringen voor recht toewijzen en de formulering daarvan op deze uitleg afstemmen.
5.3. Om te effectueren dat [eiser 1] c.s. na het wijzen van dit vonnis ook daadwerkelijk (weer) van hun recht gebruik zullen kunnen maken, zal de vordering sub II in conventie worden toegewezen als onder de beslissing vermeld. Ter waarborging van het beoogde terughoudende gebruik van het recht van doorgang door [eiser 1] c.s., zal ook de vordering sub II in reconventie worden toegewezen als vermeld onder de beslissing. De aan deze beide vorderingen gekoppelde dwangsommen zullen beperkt en gemaximeerd worden toegewezen als door de rechtbank redelijk geacht.
het dakterras
5.4. Ook met betrekking tot het dakterras en de ten aanzien daarvan al dan niet ontstane erfdienstbaarheid zijn partijen niet tot overeenstemming gekomen, zodat de rechtbank ook op de vorderingen sub III en IV in conventie en sub III in reconventie zal moeten beslissen.
5.5. De rechtbank volgt [gedaagde] in haar opvatting dat artikel 5:118 lid 1 BW, nu zij vaststelt dat in de akte van splitsing niet anders is bepaald, de ruimte biedt om de rechtsverhouding tussen [eiser 1] c.s. en [gedaagde] wat betreft het dakterras nader te bepalen zonder de andere appartementseigenaren in het geding op te roepen. De gewijzigde primaire vordering sub III in reconventie opent onder deze omstandigheden de weg naar afdoening.
de rechtbank
in conventie
6.1. veroordeelt [gedaagde] om [eiser 1] c.s. na betekening van dit vonnis toe te staan dat zij de onder 6.6 beschreven erfdienstbaarheid uitoefenen en veroordeelt [gedaagde] om [eiser 1] c.s. daartoe binnen een week na betekening van dit vonnis aan [gedaagde] twee sleutels van de poort te overhandigen,
6.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 1] c.s. een dwangsom van € 100,00 per dag te betalen voor elke dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] niet voldoet aan hetgeen waartoe zij onder 6.1 is veroordeeld, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van
€ 10.000,00,
in reconventie
6.3. verbiedt [eiser 1] c.s. en hun rechtsopvolgers gebruik te maken van de erfdienstbaarheid op andere wijzen dan die zijn voorzien onder 6.6,
6.4. veroordeelt [eiser 1] c.s. tot betaling van een dwangsom van € 100,00 voor iedere keer dat zij handelen in strijd met het onder 6.3 bepaalde, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 10.000,00,
6.5. verklaart voor recht dat door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan, inhoudende de last dat de eigenaar van de appartementsrechten, plaatselijk bekend [adres 3] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie H, complexaanduiding [kadaster nummer 1], appartementsindex 1 en appartementsindex 2, als dienend erf/dienende erven, ten behoeve van de eigenaar van het perceel, plaatselijk bekend [adres 4] te [plaats], kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie H nummer [kadaster nummer 2], als heersend erf, de aanwezigheid van het dakterras met ondoorzichtig gemaakt hekwerk op de uitbouw aan de achterzijde van het gebouw op het heersend erf, gelegen tegen de erfgrens van het dienende erf/de dienende erven, alsmede het uitzicht vanaf het dakterras van het heersende erf op het perceel van het dienend erf/de dienende erven, voor zover in de thans bestaande -ondorzichtig gemaakte- uitvoering van het genoemde hekwerk, (als blijkend uit een door partijen direct na kennisneming van dit vonnis gemaakte en van dagtekening voorziene foto), dient te dulden,
in conventie en in reconventie
6.6. verklaart voor recht dat de op 30 januari 1897 verleden, op 2 maart 1897 in deel 644 nr. 104 te [plaats] ingeschreven akte tot vestiging van een erfdienstbaarheid ten nutte van het perceel thans plaatselijk bekend [adres 3] te [plaats], thans kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie H nummer [kadaster nummer 3], althans door splitsing ten nutte van de percelen kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie H, complexaanduiding [kadaster nummer 1], appartementsindex 1 en appartementsindex 2 (‘het heersend erf’), en ten laste van het perceel thans [adres 4] te [plaats] thans kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie H nummer [kadaster nummer 2] (‘het dienend erf’), bestaat en [eiser 1] c.s. (en hun kinderen) via de poort aan de linkerzijde/oostzijde van de voordeur van het dienend erf via de inpandige gang naar de poort die toegang geeft tot het heersend erf het recht geeft op:
I - doorgang te voet en, voor zover dat redelijkerwijs nodig is en past door de inpandige gang zonder daarbij schade te berokkenen aan het eigendom van [gedaagde], op
II - toe/doorgang met een krui-, kinder- en/of andere handwagen of objecten vergelijkbaar in grootte en doeleinde, zoals een rolkoffer, en, voor zover dat redelijkerwijs nodig is en past door de inpandige gang zonder daarbij schade te berokkenen aan het eigendom van [gedaagde], en
III - toegang met een fiets en/of ander ongemotoriseerd rijwiel aan de hand,
6.7. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
6.8. verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.9. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2022.
Conc.: 1467