ECLI:NL:RBNNE:2020:631
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 20/143 en 20/144
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 februari 2020 op de verzoeken om een voorlopige voorziening in de zaken tussen
Stichting Altijd Zorg, te Rolde, verzoekster
(gemachtigde: mr. I.J. Wind-Middel),
en
de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder
(gemachtigde: mr. R. Willemsen).
Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen: [naam 1], [naam 2],
[naam 3], [naam 4], [naam 5], [naam 6], [naam 7], [naam 8],
[naam 9], [naam 10], [naam 11], [naam 12], [naam 13], [naam 14] en
[naam 15]
, te Rolde, cliënten
(gemachtigde: mr. C.S.G. de Lange).
Bij besluit van 20 december 2019 heeft verweerder verzoekster een aanwijzing gegeven op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en artikel 9.3 van de Jeugdwet (Jw).
Bij besluit van 15 januari 2020 heeft verweerder een last onder dwangsom opgelegd aan verzoekster op grond van artikel 29, eerste lid, van de Wkkgz en artikel 9.5 van de Jw.
Verzoekster heeft tegen genoemde besluiten bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningen-rechter verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2020. Namens verzoekster zijn [naam 16], [naam 17] en [naam 18] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door
mr. H.D.K. Fledderus, [naam 19] en [naam 20]. Namens cliënten is genoemde gemachtigde verschenen.
De voorzieningenrechter :
- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening toe;
- schorst de besluiten van 20 december 2019 en 15 januari 2020 tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 708,- aan verzoekster te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.050,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Nolles, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2020.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Bij besluit van 20 december 2019 heeft verweerder aan verzoekster de aanwijzing gegeven om -voor zover thans relevant- binnen twee weken de zorgverlening aan alle Wkkgz- en/of Jw-cliënten op zorgvuldige wijze over te dragen aan een zorg-/jeugdhulpaanbieder die naar het oordeel van de inspectie goede zorg en/of verantwoorde jeugdhulp biedt.
2.1 Bij brief van 7 januari 2020 heeft verweerder het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom op grond van artikel 29, eerste lid, van de Wkkgz en artikel 9.5 van de Jw aan verzoekster bekend gemaakt. Verzoekster heeft daarop bij brief van
9 januari 2020 haar zienswijze ingediend.
2.2. Bij besluit van 15 januari 2020 heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd. De last houdt in dat verzoekster per direct, gerekend vanaf de dagtekening van de last onder dwangsom, de zorgverlening aan alle Wkkgz- en/of Jw-cliënten op zorgvuldige wijze dient over te dragen aan een zorg-/jeugdhulp-aanbieder die naar het oordeel van de inspectie goede zorg en/of verantwoorde jeugdhulp verleent.
3. Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Wkkgz kan, indien Onze Minister van oordeel is dat het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2, 3, 4, eerste lid, onderdelen a en b, en 5 tot en met 10 niet wordt nageleefd, hij de zorgaanbieder een schriftelijke aanwijzing geven.
Ingevolge artikel 29 van de Wkkgz is Onze Minister, in voorkomend geval bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht gestelde verplichting, het bepaalde bij of krachtens de artikelen 13 tot en met 23 dan wel een krachtens artikel 27 of artikel 28 gegeven aanwijzing of bevel.
4. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat verweerder met het opleggen van de aanwijzing en de last buiten zijn bevoegdheid is getreden. De Wkkgz ziet niet op zorgaanbieders die zorg verlenen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Verzoekster verleent enkel zorg aan cliënten die mogelijk voor een indicatiestelling op grond van de Wmo in aanmerking komen. Dit betekent dat de betrokken gemeente het bevoegd gezag voor toezicht is. Daarnaast wijst verzoekster erop dat zij geen cliënten heeft die onder de Jw vallen.
4.1. Verweerder geeft aan dat verzoekster een zorgaanbieder in de zin van de Wkkgz is. Verzoekster is een in de KvK ingeschreven rechtspersoon, met een Wtzi-toelating, die bedrijfsmatig zorg verleent. Deze zorg wordt verleend door zorgverleners die in dienst zijn van verzoekster, onder wie een verpleegkundige. Verweerder heeft tijdens het bezoek ter plaatse vastgesteld dat er personen op het terrein van verzoekster aanwezig zijn die cliënt zijn en zorg ontvangen van verzoekster. Dit betreft onder meer zorg die verleend wordt op grond van de Wkkgz. Verweerder wijst erop dat verzoekster recent zorg heeft verleend aan ten minste één cliënt met een Wet langdurige zorg (Wlz)-indicatie. Er waren geen cliënten aanwezig die ondersteuning op grond van de Wmo ontvangen. Verweerder heeft tijdens haar onderzoek geconstateerd dat sprake is van een situatie waarin feitelijk zorg wordt verleend, ook al is deze zorg niet gefinancierd van overheidswege. Verweerder ziet daar dan ook een taak voor zich weggelegd en houdt toezicht op de zorg die in de praktijk wordt geleverd, zolang dit geen ondersteuning op basis van de Wmo betreft.
4.2. De voorzieningenrechter stelt vast, en, zo is ter zitting door verweerder bevestigd, dat de bevoegdheid van verweerder zich niet uitstrekt tot -al dan niet geïndiceerde- Wmo-gerelateerde zorg. Ook staat vast dat ten tijde van de voorliggende besluiten geen cliënten bij verzoekster verbleven die zorg ontvingen zoals bedoeld in de Wlz of de Jw. De besluiten zien dan ook niet op de verlening van zorg aan cliënten waarvoor verweerder zijn bevoegdheid ontleent aan de Wlz of de Jw.
4.2.1. Gelet op het voorgaande is verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter gezien de definitie van zorg in de Wkkgz in het onderhavige geval enkel bevoegd indien zorg wordt verleend zoals om schreven in de Zorgverzekeringswet (Zvw) en zogenoemde andere zorg. Deze andere zorg betreft handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, niet zijnde Wlz-zorg of Zvw-zorg, alsmede handelingen met een ander doel dan het bevorderen of bewaken van de gezondheid van de cliënt.
4.2.2. Verzoekster stelt zich in dit kader op het standpunt dat enkel zorg is verleend zoals omschreven in de Wmo. Dit betekent dat alleen een bevoegdheid tot het geven van een aanwijzing dan wel opleggen van een last bestaat als bij verzoekster sprake is van zorg die niet valt onder beschermd wonen of andere voorzieningen die op basis van de Wmo kunnen worden getroffen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder ter zitting niet duidelijk kunnen maken welke zorg als bedoeld in de Wkkgz door verzoekster feitelijk wordt verleend die niet onder de Wmo valt. De voorzieningenrechter stelt daarbij vast dat verweerder cliënten wiens zorg op basis van de aanwijzing en de last moet worden overgedragen aan een andere zorgaanbieder ook niet heeft gehoord. Ook de gemachtigde of bewindvoerders van cliënten zijn niet gehoord. Dit betekent dat verweerder zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, geen goed beeld heeft kunnen vormen van de zorg die cliënten feitelijk ontvangen. Verweerder is bij de onderhavige besluitvorming afgegaan op de eigen rapporten. Er is blijkens deze rapporten geen onderzoek gedaan naar de specifieke vorm van zorg die wordt verleend door verzoekster. In het rapport van het inspectiebezoek van 7 november 2019 wordt daaromtrent enkel benoemd dat het bezoek zich richt op de kwaliteit en veiligheid van de zorg voor cliënten die onder de Wlz, de Zvw en Jw vallen. Uit de rapporten kan niet opgemaakt worden dat verweerder per cliënt heeft vastgesteld welke zorg wordt verleend en of op basis daarvan een bevoegdheid tot toezicht ontstaat. Ook in het rapport betreffende het inspectiebezoek van 29 november 2019 wordt hieromtrent geen duidelijkheid gegeven. De in dit rapport genoemde en de ter zitting herhaalde handelingen die door verweerder als zorg in de zin van de Wkkgz zijn aangemerkt zijn naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zodanig algemeen geformuleerd dat niet op voorhand vast is komen te staan dat er geen sprake is van Wmo-gerelateerde zorg. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag of hij bevoegd was tot het geven van de aanwijzing en het opleggen van de last. Deze bevoegdheid is daarmee niet vast komen te staan.
4.3. De voorzieningenrechter neemt voorts in overweging dat verzoekster op
20 december 2019 een termijn van twee weken is gegund om de zorg, die door verzoekster zelf wordt gefinancierd, over te dragen aan een andere zorgaanbieder. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dat een ingewikkelde opgave waar meer tijd mee gemoeid zal gaan dan deze twee weken. Dat klemt temeer nu de kerstvakantie binnen de gegunde twee weken viel hetgeen het bemoeilijkt om binnen deze termijn zowel financiering als overdracht van de zorg te regelen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter ook in aanmerking dat verzoekster heeft aangegeven niet bereid te zijn de zorg voor cliënten te blijven (voor-) financieren op het moment dat de zorg door een andere zorgaanbieder wordt verleend. Nu de indicatiestelling op grond van de Wmo een moeizaam proces blijkt, zullen andere zorgaanbieders zeker niet geneigd zijn om niet-gefinancierde zorg over te nemen.