ECLI:NL:RBNNE:2024:3927
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummer: C/18/237559 / FT RK 24-1015 en C/18/23/122 R
vonnis van 27 september 2024
in de zaak van:
[schuldenaar]
, geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
hierna te noemen de schuldenaar,
bewindvoerder: F. Maatjes.
PROCESGANG
Bij vonnis van deze rechtbank van 20 september 2023 is ten aanzien van de schuldenaar de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.
Bij bericht in Toezicht van 25 juni 2024 is een verzoek voorgelegd tot verkorting van de looptijd. De rechter-commissaris heeft op 26 juni 2024 de bewindvoerder bericht dat het verzoek wordt afgewezen. Op verzoek van de schuldenaar heeft de bewindvoerder vervolgens op 31 juli 2024 verzocht de afwijzing van het verkortingsverzoek in een beschikking vast te leggen. Bij beschikking van 9 augustus 2024 heeft de rechter-commissaris het verzoek van de schuldenaar afgewezen. Op 12 augustus 2024 heeft de schuldenaar hiertegen schriftelijk hoger beroep ingesteld bij de rechtbank.
De zaak is behandeld ter zitting van 13 september 2024, alwaar zijn verschenen de schuldenaar en mr. J.H. Mastenbroek, namens de bewindvoerder.
RECHTSOVERWEGINGEN
Bij toelatingsvonnis van 9 augustus 2023 is de termijn van de schuldsaneringsregeling van de schuldenaar vastgesteld op 18 maanden, ingaande vanaf de datum van dat vonnis. De schuldenaar voert aan dat hij voorafgaand aan zijn toelating in het kader van een MSNP-traject al boedelafdrachten heeft gedaan, zodat er ten tijde van zijn toelating tot de WSNP reden zou zijn geweest om toepassing te geven aan artikel 349a Fw, dat wil zeggen dat een eerdere ingangsdatum zou zijn gekozen. Dit zou er toe hebben geleid dat zijn WSNP eerder afgelopen zou zijn. De schuldenaar erkent dat een verzoek daartoe destijds niet is gedaan, maar dit wijt hij aan het feit dat deze mogelijkheid pas sinds 1 juli 2023 in de wet is opgenomen, en de behandeling van zijn verzoek (ingediend voor 6 juni 2023, ter zitting behandeld op 18 augustus 2023 en vonnis gewezen op 20 september 2023) daarmee heeft doorkruist. Daarbij zouden zijn schuldhulpverleners in gebreke zijn gebleven door hem niet tijdig op de hoogte te stellen van de mogelijkheid te verzoeken om een eerdere ingangsdatum. Er is daarmee, zo stelt de schuldenaar, sprake van overmacht. Hij heeft de rechter-commissaris dan ook verzocht de looptijd van de regeling alsnog met 10 maanden te verkorten. In onderhavige hoger beroepsprocedure komt de schuldenaar op tegen de afwijzing van dit verzoek door de rechter-commissaris.
De rechtbank oordeelt als volgt. Primair betoogt de schuldenaar dat bij de vaststelling van de ingangsdatum van zijn schuldsaneringsregeling ten onrechte geen toepassing is gegeven aan de in artikel 349a lid 1 Fw opgenomen mogelijkheid om die ingangsdatum vast te stellen op de datum waarop hij zijn eerste aflossing in het kader van zijn MSNP-traject heeft gedaan. De rechtbank komt in deze procedure niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van die stelling. De bedoelde ingangsdatum is immers vastgesteld in het eerdere vonnis van deze rechtbank van 20 september 2023. Voor zover de schuldenaar het niet eens was met de gekozen ingangsdatum had hij binnen de daarvoor geldende termijn hoger beroep moeten instellen bij het Gerechtshof Arnhem – Leeuwarden, locatie Leeuwarden. Dit heeft hij nagelaten. De wet biedt de rechtbank geen mogelijkheid om terug te komen op haar eerdere vonnis en alsnog de door schuldenaar gewenste toepassing aan artikel 349a lid 1 Fw te geven.
In de tweede plaats heeft de schuldenaar op de mondelinge behandeling bevestigt dat zijn verzoek mede moet worden opgevat als een verzoek als bedoeld in artikel 349a lid 2 Fw, op grond waarvan de rechter-commissaris op verzoek kan besluiten de looptijd (dus niet de ingangsdatum) van de schuldsaneringsregeling te wijzigen. Het betoog van de schuldenaar strekt ertoe dat er aanleiding bestaat om de termijn van zijn regeling te verkorten met 10 maanden, zodat de in zijn ogen ten onrechte niet gehanteerde eerdere ingangsdatum op die manier wordt ‘gerepareerd’.
In haar beschikking heeft de rechter-commissaris in de eerste plaats geoordeeld dat een dergelijk verzoek, afkomstig van een schuldenaar, gelet op het bepaalde in artikel 361 Fw door een advocaat had moeten worden ingediend. In hoger beroep heeft de schuldenaar echter betoogd dat het hier geen verzoek van hem zelf, maar een verzoek van zijn bewindvoerder zou betreffen, zodat artikel 361 Fw geen toepassing zou vinden. De (vertegenwoordiger van de) bewindvoerder heeft dit betoog ter zitting ondersteund. De rechtbank constateert dat het verzoek feitelijk door (een medewerker van) de bewindvoerder is ingediend in het elektronische systeem voor berichtenverkeer tussen de rechtbank en bewindvoerders. Echter, die enkele omstandigheid maakt naar oordeel van de rechtbank nog niet dat het hier ook een verzoek “van de bewindvoerder” als bedoeld in artikel 349a lid 2 Fw betreft. Bepalend is naar het oordeel van de rechtbank de inhoud van het verzoek. In dat verband valt op dat het bericht namens de bewindvoerder, na de aanhef, vermeldt: “In deze zaak heeft [schuldenaar] mij verzocht het volgende aan u voor te leggen”. Na een feitelijke toelichting sluit het bericht af met de woorden: “Op grond van het bovenstaande heeft [schuldenaar] mij dus verzocht om zijn verzoek aan u voor te leggen. Waarbij hij concreet verzoekt om de termijn van de WSNP vast te stellen op 10 maanden”. De rechtbank leidt uit deze bewoordingen af dat het hier om een verzoek gaat dat werd gedaan door de schuldenaar, op zijn verzoek door de bewindvoerder werd doorgeleid aan de rechtbank, maar daarbij door de bewindvoerder niet “eigen werd gemaakt”. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de rechter-commissaris dit verzoek terecht niet als een verzoek van de bewindvoerder heeft aangemerkt. Dit betekent dat het verzoek door een advocaat had moeten worden ingediend.
Echter, in de omstandigheid dat het onderhavige verzoek op de mondelinge behandeling alsnog is ondersteund namens de bewindvoerder, en daarbij is betoogd dat dit ook als een verzoek van de bewindvoerder moet worden beschouwd, ziet de rechtbank aanleiding ten overvloede een inhoudelijk oordeel te geven.
De rechtbank wijst er in de eerste plaats op dat ook vóór 1 juli 2023 al de mogelijkheid bestond om de rechter-commissaris op de voet van artikel 349a lid 2 Fw te vragen de looptijd van een saneringsregeling te wijzigen. Ook verzoeken om verkorting wegens voor aanvang van de WSNP al gedane afdrachten werden op die manier voorgelegd. Veelal werden bij de beoordeling daarvan de Recofa-richtlijnen gevolgd, waarin onder (thans) artikel 1.2 sub b is opgenomen dat “onder andere” kan worden verkort “indien de schuldenaar in een aan de schuldsaneringsregeling voorafgaand faillissement of voorafgaande surseance het meerdere boven het in de schuldsaneringsregeling geldende vrij te laten bedrag (hierna: vtlb), aan de boedel heeft afgedragen”.
Ten tijde van de parlementaire behandeling van de voorstellen die tot de wetswijziging per 1 juli 2023 heeft geleid is van de zijde van de minister expliciet voorgesteld om artikel 349a lid 2 Fw aldus te wijzigen, dat daarin zou worden opgenomen dat (ook) aflossingen in een minnelijk traject aanleiding kunnen zijn om te verkorten. Dit voorstel is als zodanig echter niet overgenomen door het parlement.
De rechtbank:
wijst het beroep af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.S. Huizinga, en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.
Zie ook de Recofa-notitie ‘Notitie verkorte looptijd schuldsanering’ van 2 maart 2015.
Zie voor een goed leesbare samenvatting en verwijzing naar de parlementaire stukken ECLI:NL:PHR:2024:562 rn. 5.21-23.