ECLI:NL:RBOBR:2022:5481
proces-verbaal
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie ’s-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummers: 01.993255.20 ( [verdachte 1] ), 01.993319.20 ( [verdachte 2] ), 01.993370.20 ( [verdachte 3] ), 01.993374.20 ( [verdachte 4] ), 01.993272.20 ( [verdachte 5] ), 01.993306.20 ( [verdachte 6] ), 01/993318-21 ( [verdachte 7] ) en 01.993363.20 ( [verdachte 8] ).
Dit verkort proces-verbaal bevat de beslissing van de rechtbank op het ter terechtzitting gedane aanhoudingsverzoek tijdens de in het openbaar gehouden terechtzitting van bovengenoemde rechtbank, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, locatie ’sHertogenbosch op 5 december 2022.
De samenstelling van de rechtbank is als volgt:
mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,
mr. C.M. Zandbergen en mr. W.M.T. Keukens, leden, en
J. Kapteijns, griffier.
Als officieren van justitie fungeren mr. M. van Nes en mr. S. Kierkels.
Aanwezig zijn de verdachten:
[verdachte 1] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 1987,
wonende te [adres 1] ,
ter terechtzitting bijgestaan door mr. W.S. de Zanger;
[verdachte 8] ,
geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 1953,
wonende [adres 2] ,
ter terechtzitting bijgestaan door mr. J.H. Rump;
[verdachte 3] ,
geboren op [geboortedatum 3] 1975 te [geboorteplaats 3] ,
wonende [adres 3] ,
ter terechtzitting bijgestaan door mr. M.R. Kok;
[verdachte 4] ,
geboren op [geboortedatum 4] 1987 te [geboorteplaats 4] ,
wonende [adres 4] ,
ter terechtzitting bijgestaan door mr. E. Stam;
[verdachte 5] ,
geboren op [geboortedatum 5] 1973 te [geboorteplaats 5] ,
wonende [adres 5] ,
ter terechtzitting bijgestaan door mr. M. Mulderij-Anker;
[verdachte 7] ,
geboren te [geboorteplaats 6] op [geboortedatum 6] 1967,
thans verblijvende in PI Achterhoek.
ter terechtzitting bijgestaan door mr. M.E. van der Werf;
en
[verdachte 6] ,
geboren op [geboortedatum 7] 1967 te [geboorteplaats 7] ,
wonende [adres 6] ,
ter terechtzitting bijgestaan door mr. F. Jakob.
De verdachte genaamd:
[verdachte 2] ,
geboren op [geboortedatum 8] 1971 te [geboorteplaats 8] ,
wonende [adres 7] ,
is niet verschenen.
Hij wordt vertegenwoordigd door mr. D. Bouwmeester, die waarneemt voor mr. A. Çimen en verklaart uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging voor haar cliënt te voeren. De rechtbank stemt daarmee in.
De voorzitter:
Mr. Kok heeft een verzoek tot aanhouding gedaan, in afwachting van de uitkomst van de prejudiciële vragen die de rechtbank Noord-Nederland aan de Hoge Raad zal stellen (A). In tweede termijn heeft hij hieraan toegevoegd het verzoek om zelf vragen aan de Hoge Raad te stellen, danwel aan te sluiten bij de door de rechtbank Noord-Nederland te stellen vragen. Voorts heeft hij de rechtbank verzocht, indien zij dit verzoek afwijst, de LAP-officieren te horen (B) en de eerder gedane en afgewezen onderzoekswensen (in de nummering van de tussenbeslissing van 2 februari 2022) 1 tot en met 6, 9, 10 tot en met 14, 17 tot en met 20, 21, 24, 27 en 28 toe te wijzen (C).
Mrs. Van der Werf, Bouwmeester en De Zanger hebben zich hierbij aangesloten.
Mr. Rump heeft zich hier niet bij aangesloten.
De mrs. Stam, Jakobs en Mulderij-Anker hebben te kennen gegeven niet aan te sluiten bij deze verzoeken, maar dat zij, indien de zaak wordt aangehouden, wensen dat de zaak van hun cliënten ook aangehouden wordt met het oog op een gezamenlijke behandeling.
Het openbaar ministerie heeft zich verzet tegen aanhouding van de behandeling van de strafzaak en het doen verrichten van nader onderzoek.
De rechtbank zal moeten beoordelen of het noodzakelijk is voor enige te nemen beslissing om het onderzoek ter terechtzitting aan te houden, in afwachting van beantwoording van prejudiciële vragen en/of voor nader onderzoek.
A. De verdediging heeft voor de onderbouwing van dit verzoek verwezen naar eerder ingebrachte stukken die door mr. Quint in onderzoek 26Alston zijn overgelegd. In de kern komt dit verzoek erop neer dat de inhoudelijke behandeling moet worden aangehouden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen door de Hoge Raad in onderzoek Shifter.
De rechtbank stelt voorop dat tot op heden nog niet daadwerkelijk vragen aan de Hoge Raad zijn gesteld. Wel is aangekondigd dat dergelijke vragen zullen worden gedaan.
De mogelijkheid tot het stellen van prejudiciële vragen bestaat sinds 1 oktober 2022 en is verbonden aan een aantal voorwaarden: voor de rechtbank is met name de voorwaarde van belang dat een antwoord op de vraag nodig moet zijn voor het nemen van een beslissing in de zaak. Voorts spelen allerlei andere belangen een rol, zoals de voortvarendheid van het afdoen van strafzaken (voor verdachten én de samenleving), de stand van het onderzoek waarin een verzoek tot het stellen van vragen wordt gedaan en de omstandigheid dat het einde van de ontwikkelingen op cryptocommunicatiegebied nog niet in zicht is.
Nog daargelaten dat er in onderzoek 26Hammond II enkele verdachten zijn die geen aanhouding van de strafzaak wensen en dat een nadere inplanning van deze zaak enorm veel voeten in de aarde zal hebben, strandt het verzoek voor de rechtbank al bij de genoemde voorwaarde.
In het licht van de stukken die zich in het dossier bevinden en gelet op de heersende lijn die de rechtbank ziet in de uitspraken van feitenrechters, is er voor de rechtbank voorshands geen reden om prejudiciële vragen te stellen of beantwoording daarvan in een ander onderzoek af te wachten. Ook het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden schaart zich in zijn arrest van 16 november 2022 (terwijl het overigens wél op de beantwoording van prejudiciële vragen wacht) bij wijze van voorlopig oordeel achter die lijn.
De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht en in staat op de verweren met betrekking tot cryptodata in raadkamer na inhoudelijke behandeling een beslissing te nemen. Weliswaar kan het prettig zijn om te weten hoe de Hoge Raad tegen de toepassing van het interstatelijke vertrouwensbeginsel in relatie tot gebruik van cryptodata aankijkt, dat betekent niet dat andere strafzaken hangende die procedure ook moeten worden aangehouden. De rechtbank verwijst hiervoor mede naar de Memorie van Toelichting:
“Gedurende de prejudiciële procedure wordt de verjaring geschorst (artikel 73 Sr; Hoge Raad 30 mei 2006, NJ 2006/366, m.nt. P.A.M. Mevis). Die schorsing van de verjaring geldt alleen de zaak waarin de vraag is gesteld. De schorsing geldt niet voor andere zaken waarin vergelijkbare rechtsvragen aan de orde zijn; dat zou leiden tot procedurele verwarring. Wel hebben rechters in andere zaken natuurlijk de mogelijkheid om de zaak voor bepaalde tijd aan te houden, zodat zij de beantwoording van de prejudiciële vraag door de Hoge Raad kunnen afwachten. Mocht dit te lang duren, dan is in het belang van berechting in redelijke termijn, voortzetting van de zaak aangewezen. Indien de beantwoording van de prejudiciële vraag na sluiting van de zaak plaatsvindt en deze naar de mening van een procespartij van invloed is op het oordeel in de zaak, dan kan aanwending van een rechtsmiddel uitkomst bieden.” (Kamerstukken II 2020/21, 35869, nr. 3, p. 33).
De verdediging heeft dit verzoek onderbouwd met de verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam in onderzoek 26Zenne, in het bijzonder de overwegingen met betrekking tot de informatievoorziening door het Openbaar Ministerie.