Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2008-06-25
ECLI:NL:RBROT:2008:BD7448
Civiel recht
RECHTBANK ROTTERDAM Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 276070 / HA ZA 07-81 Uitspraak: 25 juni 2008 VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van: de openbare rechtspersoon DE GEMEENTE ROTTERDAM, zetelend te Rotterdam, eiseres, procureur mr. R.W. van Harmelen, - tegen - [gedaagde], wonende te Rotterdam, gedaagde, procureur mr. N. Lagerweij, advocaat mr. A.C. de Klerk te Rotterdam. Partijen worden hierna aangeduid als "De Gemeente" respectievelijk "[gedaagde]". 1 Het verloop van het geding De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken: - dagvaarding d.d. 20 december 2006, met producties; - conclusie van antwoord, met producties; - conclusie van repliek, tevens akte houdende vermindering van eis, met productie; - conclusie van dupliek, met producties; - akte houdende uitlating producties aan de zijde van De Gemeente. 2 De vaststaande feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast: 2.1 Bij vonnis van de kinderrechter van deze rechtbank d.d. 23 mei 2003 is [gedaagde] veroordeeld tot een werkstraf van 60 uren wegens – kort gezegd – mishandeling van de [X.] (hierna: [X.]) op 21 maart 2003. 2.2 [X.] heeft letsel opgelopen als gevolg van de mishandeling. 2.3 [X.] was destijds – en is nog steeds – in dienst bij De Gemeente en is van 21 maart 2003 tot en met 22 januari 2005 (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt geweest voor de uitoefening van zijn functie. 2.4 Bij brief van 14 juni 2005 heeft De Gemeente [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade. 3 De vordering De gewijzigde vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen om aan De Gemeente te betalen een bedrag van € 35.245,05 met rente en kosten. Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft De Gemeente aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd: 3.1 [X.] is als gevolg van de door [gedaagde] gepleegde mishandeling (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt geraakt. 3.2 De Gemeente heeft als gevolg van de (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid van [X.] schade geleden. Deze schade bestaat uit het loon dat De Gemeente in de periode van 21 maart 2003 tot en met 22 januari 2005 krachtens de rechtspositie van [X.] jegens De Gemeente aan [X.] heeft moeten doorbetalen. Rekening houdend met de mate van arbeidsongeschiktheid van [X.] bedraagt de schade € 35.245,05 netto. 3.3 [gedaagde] is op grond van artikel 2 Verhaalswet Ongevallen Ambtenaren (hierna: VOA) aansprakelijk voor de door De Gemeente geleden schade. 3.4 Naast vergoeding van de door haar geleden schade maakt De Gemeente tevens aanspraak op de wettelijke rente en (ex artikel 6:96 lid 2 BW) vergoeding van buitengerechtelijke kosten, conform Rapport Voorwerk II begroot op € 1.158,--. 4 Het verweer Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van De Gemeente in de kosten van het geding. [gedaagde] heeft daartoe het volgende aangevoerd: 4.1 De door De Gemeente geleden schade is mede een gevolg van andere factoren dan de door [gedaagde] gepleegde mishandeling, zoals de persoon(lijkheid) en persoonlijke omstandigheden van [X.], alsmede andere incidenten waarvan [X.] getuige is geweest c.q. bij betrokken is geweest. Dit betreffen omstandigheden die niet aan [gedaagde] kunnen worden toegerekend. 4.2 De Gemeente is tekortgeschoten in de op haar rustende schadebeperkingsplicht door [X.] onvoldoende te begeleiden na het ongeval waardoor snellere re-integratie uitbleef. [X.] heeft zich (ook) onvoldoende ingespannen voor zijn herstel. 4.3 De Gemeente is bovendien tekortgeschoten in de op haar rustende schadebeperkingsplicht doordat zij ervoor heeft gekozen zich niet voor de door haar geleden schade te verzekeren. 4.4 De schadevergoedingsverplichting van [gedaagde] dient te worden verminderd gelet op de mate van (eigen) schuld van [X.]. 4.5 De schadevergoedingsverplichting van [gedaagde] dient te worden gematigd gelet op de draagkracht van [gedaagde]. 5.1 Naar de rechtbank begrijpt, betwist [gedaagde] niet dat hij jegens [X.] aansprakelijk is voor de door deze geleden schade als gevolg van de mishandeling door [gedaagde] en dat De Gemeente derhalve op grond van artikel 2 lid 1 en 2 VOA een verhaalsrecht heeft op hem in verband met het door De Gemeente aan [X.] betaalde loon over de periode dat [X.] verhinderd was om (gedeeltelijk) zijn werkzaamheden te verrichten als gevolg van de mishandeling. 5.2 Het geschil beperkt zich aldus tot de hoogte van de door De Gemeente op [gedaagde] verhaalbare schade. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat De Gemeente die loonschade op [gedaagde] kan verhalen waarvoor [gedaagde] jegens [X.] krachtens burgerlijk recht aansprakelijk zou zijn. 5.3 Het voornaamste geschilpunt tussen partijen betreft de vraag of de arbeidsongeschiktheid van [X.] in zodanig verband staat met de mishandeling door [gedaagde] dat de daaruit voortvloeiende schade, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van die mishandeling aan [gedaagde] kan worden toegerekend. 5.4 De rechtbank stelt in dit verband voorop dat sprake is geweest van een ernstige schending van een veiligheidsnorm door [gedaagde] en dat vergoeding wordt gevorderd van de volgens De Gemeente dientengevolge geleden letselschade, zodat de aard van de aansprakelijkheid en van de schade een ruime toerekening rechtvaardigen. 5.5 [gedaagde] betwist dat de (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid van [X.] voor de gehele periode van 21 maart 2003 tot en met 22 januari 2005 kan worden toegerekend aan de mishandeling. Hij stelt in dit verband dat deze arbeidsongeschiktheid, in ieder geval voor de periode na augustus 2003, een gevolg is van de persoon(lijkheid) en persoonlijke omstandigheden van [X.], alsmede het gevolg is van andere incidenten waarvan [X.] getuige is geweest c.q. bij betrokken is geweest. 5.6 [gedaagde] heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid van [X.] (mede) een gevolg is van (kortweg) ziekte van diens zoon en echtgenote. De Gemeente heeft gemotiveerd betwist dat die persoonlijke omstandigheden van [X.] (mede) hebben geleid tot diens (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid en ter onderbouwing daarvan verwezen naar in het bijzonder het emailbericht van de bedrijfsarts van [X.] van 2 april 2007, waarin deze verklaart dat familieomstandigheden niet hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van de post traumatische stress stoornis (hierna: PTSS) van [X.]. Gelet op voorgaande gemotiveerde betwisting van De Gemeente had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van [gedaagde] gelegen zijn stelling dienaangaande nader te onderbouwen en kon hij niet volstaan met de enkele blote herhaling daarvan. Door dit na te laten dient de stelling van [gedaagde] dat de (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid van [X.] (mede) een gevolg is van diens persoonlijke omstandigheden als niet althans onvoldoende onderbouwd te worden gepasseerd en wordt om die reden aan bewijsvoering ter zake niet toegekomen. 5.7 Het voorgaande geldt eveneens voor de stelling van [gedaagde] dat de (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid van [X.] (mede) een gevolg is van diens (volgens [gedaagde]) discriminatoire, labiele en agressieve persoon(lijkheid). In dit verband zij nog opgemerkt dat zelfs indien uitgegaan wordt van de juistheid van die stelling, daaraan in dit kader geen (relevante) betekenis toekomt nu immers het adagium geldt dat de laedens het slachtoffer heeft te nemen zoals hij het aantreft. 5.8 [gedaagde] stelt voorts dat de omstandigheid dat [X.] eind december 2005 getuige is geweest van een beroving en de omstandigheid dat [X.] in april 2006 is geslagen door een passagier (mede) hebben geleid tot diens (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid. Deze omstandigheden zijn – hoewel door De Gemeente niet weersproken – in dit kader evenwel rechtens irrelevant, nu deze incidenten dateren van na de schadeperiode. 5.9 Voorts stelt [gedaagde] dat [X.] eerder zou zijn gere-integreerd en dus minder lang arbeidsongeschikt zou zijn geweest als De Gemeente hem meer (aangewezen) therapieën zou hebben geboden en als [X.] meer therapieën zou hebben gevolgd. 5.10 De rechtbank stelt voorop dat nu het in het onderhavige geval een regresvordering betreft, bezien dient te worden of [X.] al hetgeen redelijkerwijs van hem gevergd kon worden en mogelijk was heeft gedaan ten behoeve van zijn herstel en ter beperking van inkomensverlies. Als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken staat vast dat [X.] direct na de mishandeling is begeleid door Bureau slachtofferhulp. Nadat het lichamelijk herstel van [X.] voldoende was opgetreden, is er een intensieve psychologische begeleiding van [X.] door DIAO gestart. [X.] is daarnaast begeleid door de huisarts en het bedrijfsmaatschappelijk werk van de RET. Nu gesteld noch gebleken is dat [X.] de hem geboden begeleiding niet heeft aanvaard dan wel zich – indachtig de diagnose PTSS, die eerst eind 2005 is vastgesteld – daarbij niet althans onvoldoende heeft ingezet, kan de rechtbank – zonder enige nadere onderbouwing – niet inzien dat [X.] zich gedurende de schadeperiode onvoldoende heeft ingespannen ten behoeve van zijn herstel en ter beperking van inkomensverlies. Zelfs uitgaande van de juistheid van de stelling van [gedaagde] dat [X.] eerder zou zijn gere-integreerd en dus minder lang arbeidsongeschikt zou zijn geweest als De Gemeente hem meer (aangewezen) therapieën zou hebben geboden en als [X.] meer therapieën zou hebben gevolgd, betekent dit nog niet dat de extra (loon)kosten daarvan in redelijkheid niet aan [gedaagde] kunnen worden toegerekend. Het is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de in het geding gebrachte stukken, zeer wel verdedigbaar dat is gekozen voor begeleiding op de wijze zoals thans is geschied, althans is die wijze van begeleiding in de gegeven omstandigheden alleszins verantwoord (geweest). Het risico dat achteraf zou blijken dat met een eerdere juiste diagnose en andere behandelmethode – naar [gedaagde] heeft gesteld: cognitieve gedragstherapie of EMDR – op een eerder moment re-integratie van [X.] bereikt had kunnen worden, komt naar het oordeel van de rechtbank in de verhouding tussen partijen voor rekening en risico van [gedaagde] als degene die aansprakelijk is voor de schade. 5.11 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, moet het er voor worden gehouden dat de (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid van [X.] voor de gehele periode van 21 maart 2003 tot en met 22 januari 2005 kan worden toegerekend aan de mishandeling. Dit betekent dat [gedaagde] in beginsel gehouden is de (loon)schade die als gevolg daarvan is ontstaan, te vergoeden. 5.12 [gedaagde] heeft een beroep gedaan op eigen schuld van [X.], eruit bestaande dat [X.] de mishandeling heeft uitgelokt door zich beledigend jegens [gedaagde] uit te laten. Op grond van art. 6:101 lid 1 BW kan de schadevergoedingsverplichting (hier: van [gedaagde]) worden verminderd, indien de schade van de benadeelde mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde (hier: [X.]) kan worden toegerekend, tenzij op grond van de billijkheid, vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval, een andere verdeling moet plaatsvinden. 5.13 Het beroep van [gedaagde] op eigen schuld van [X.] gaat niet op. Weliswaar is niet in geschil dat [X.] zich beledigend jegens [gedaagde] heeft uitgelaten, maar geoordeeld wordt dat de vergoedingsplicht van [gedaagde] jegens De Gemeente geheel in stand blijft omdat de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de door [X.] en [gedaagde] gemaakte respectieve fouten eist. De rechtbank, veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan De Gemeente te betalen het bedrag van € 35.245,05 (zegge: vijfendertigduizend tweehonderdvijfenveertig euro en vijf eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW over dit bedrag vanaf de respectieve betaaldata van het respectieve loon tot aan de dag der voldoening; veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van De Gemeente bepaald op € 820,00 aan vast recht, op € 71,32 aan overige verschotten en op € 1.158,00 aan salaris voor de procureur; verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Koekebakker. Uitgesproken in het openbaar. 801/1582