Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2010-03-11
ECLI:NL:RBROT:2010:BM3205
Bestuursrecht
RECHTBANK ROTTERDAM Sector Bestuursrecht Meervoudige kamer Reg.nr.: AWB 08/2884 Uitspraak in het geding tussen Eiser, wonende te Schiedam, gemachtigde mr. J. Choufoer - van der Wel, advocaat te ’s Gravenhage, en de Minister van Financiën, voorheen de Staatssecretaris van Financiën, verweerder. gemachtigde mr. M.J. Populiers. I Ontstaan en loop van de procedure 1 Bij besluit van 4 februari 2008 is aan eiser met ingang van 6 februari 2008 ontslag verleend op grond van artikel 98b van het Algemeen Rijksambtenaren¬reglement (ARAR). 2 Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 12 maart 2008 bezwaar gemaakt. 3 Bij besluit van 6 juni 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. 4 Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 16 juli 2008 beroep ingesteld. 5 Verweerder heeft bij brief van 9 september 2008 een verweerschrift ingediend. 6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2010. Aanwezig waren eiser en zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als getuige en deskundige is verschenen ……., sociaal psychiatrisch verpleegkundige bij de GGZ-Delfland. II Overwegingen 1 Ingevolge artikel 98b, aanhef en onder a, van het ARAR, kan aan de ambtenaar die ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, ontslag worden verleend, indien hij zonder deugdelijke grond weigert gevolg te geven aan een door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of mee te werken aan door het bevoegd gezag of een door het bevoegd gezag aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of andere passende arbeid te verrichten. Ingevolge het tweede lid van dit artikel vraagt het bevoegd gezag om te beoordelen of er sprake is van een situatie als hierboven bedoeld een hierop betrekking hebbend advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekering (hierna: het Uwv) en neemt dit mede in beschouwing. 2.1 Verweerder heeft samengevat en zakelijk weergegeven aan het ontslag ten grondslag gelegd dat eiser sinds medio 2007 onvoldoende heeft meegewerkt aan zijn re-integratie en dat ondanks veelvuldige en duidelijke waarschuwingen het gedrag van eiser niet ten goede is veranderd. Bij brief van 9 januari 2008 heeft het UWV het gevraagde deskundigenoordeel gegeven en geconcludeerd dat eisers re-integratie-inspanningen onvoldoende zijn geweest. Eisers gedrag kan hem worden toegerekend, aldus verweerder. 2.2 Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe samengevat en zakelijk weergegeven het volgende aan. Eiser kan niet worden verweten niet mee te hebben gewerkt aan zijn re-integratie omdat zijn psychische problematiek hem dat belette. Er is geen sprake van bewuste onttrekking aan de behandeling. De psychiatrische problematiek van eiser speelt al geruime tijd; sinds 13 juni 2005 vertoont eiser gedrag waarbij hij zich niet aan zijn re-integratieverplichtingen houdt. Eisers medische toestand is sinds 13 juli 2007, de datum waarop eiser thuis door zijn teamleider werd bezocht om zijn verzuimbegeleiding te bespreken en aangetroffen werd onder kennelijke invloed van alcohol, niet veranderd. Verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld door onvoldoende onderzoek te doen naar de ontoerekeningsvatbaarheid van eiser. Uitgaan van het advies van het UWV is onjuist nu daaruit niet blijkt dat de medische rapportage van 16 maart 2007 - waaruit blijkt dat eiser vanwege soortgelijke problemen in 2005-2006 ontoerekenings¬vatbaar is verklaard - is meegewogen. 3 De rechtbank oordeelt als volgt. 3.1.1 Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in de periode juli 2007 tot en met december 2007 onvoldoende medewerking aan zijn re-integratie heeft verleend; eiser heeft zich in die periode onttrokken aan contact met zijn werkgever. 3.1.2 Verweerder verwijt eiser voorts op 3 januari 2008 niet te zijn verschenen op het spreekuur bij ……., arts bij Achmea Arbo. Vaststaat dat eiser op 20 december 2007 is bezocht door zijn leidinggevende en dat deze hem een kerstpakket heeft overhandigd. Verweerder heeft gemotiveerd gesteld dat tijdens dat bezoek eiser telefonisch een afspraak heeft gemaakt om op 3 januari 2008 te verschijnen op het spreekuur van ……. De leidinggevende heeft na afloop van eisers telefoongesprek gecontroleerd of inderdaad de arbodienst was gebeld en voorts heeft verweerder nagegaan of de afspraak in de administratie van de arbodienst was opgenomen. Eiser heeft deze stellingen onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat de recht¬bank van de juistheid daarvan uitgaat. Vaststaat dat eiser niet is verschenen op de afspraak, waaruit volgt dat ook op dit punt eiser onvoldoende medewerking aan de re-integratie heeft verleend. Of eiser voor deze afspraak een oproep heeft ontvangen is niet van belang. Van eiser mocht worden verwacht dat hij ook zonder een nadere oproep een door hem persoonlijk gemaakte afspraak zou nakomen. 3.2 Eiser heeft gesteld dat zijn gedrag hem niet kan worden toegerekend vanwege de door hem gestelde psychische toestand, althans dat verweerder onvoldoende onderzoek daarnaar heeft gedaan. Derhalve zou er geen sprake van zijn dat eiser zonder deugdelijke grond zijn medewerking heeft geweigerd. 3.2.1 In het algemeen is het aan degene die zich op de rechtsgevolgen van feiten of omstandig¬heden beroept om deze te stellen en aannemelijk te maken. Hieruit volgt dat, nu het eiser is die een beroep doet op niet-toerekenbaarheid vanwege zijn psychische toestand, het aan hem is om die toestand aannemelijk te maken. Dit doet er echter niet aan af, dat zorgvuldige besluitvorming kan vereisen dat ook verweerder enig onderzoek doet. 3.2.2 Op 8 januari 2008 heeft ….. op verzoek van verweerder, in het kader van de Wet Verbetering Poortwacht een deskundigenoordeel met betrekking eisers re-integratie-inspanningen uitgebracht. De conclusie van dit rapport luidt dat de re-integratie-inspanningen van eiser onvoldoende zijn. Bij e-mailbericht van 28 januari 2008 heeft ….. desgevraagd verweerder informatie verstrekt over eiser en onder meer aangegeven nooit aanwijzingen te hebben gevonden dat eiser enigszins duurzaam niet in staat was zijn wil te bepalen. Toen verweerder in oktober 2007 besloot de bezoldiging van eiser stop te zetten, was deze zelfstandig in staat hierop schriftelijk te reageren en te vragen om een ontslag¬regeling. Verweerder heeft terecht hieruit afgeleid dat eiser toen in staat moet zijn geweest zijn wil voldoende te bepalen. Gelet op deze omstandig¬heden is de recht¬bank van oordeel dat verweerder zijn onderzoeksplicht niet heeft geschonden en op basis van de voorhanden gegevens de conclusie heeft kunnen trekken dat eisers gedrag hem kon worden toegerekend, zodat verweerder mocht concluderen dat geen sprake was van een deugdelijke grond om niet mee te werken. De recht¬bank heeft daarbij in aanmerking genomen dat eiser zich stelselmatig aan het contact met zijn werkgever heeft onttrokken, waardoor nader medisch onderzoek onmogelijk werd gemaakt. 3.2.3 Hetgeen eiser hier tegenover heeft gesteld is onvoldoende om aannemelijk te achten dat zijn gedrag hem niet kon worden toegerekend. Uit een begin 2007 op verzoek van verweerder uitgebrachte psychiatrische en psychologische rapportage is weliswaar komen vast te staan dat de geestesgesteldheid van eiser in de periode juni 2005 tot en met december 2006 zodanig slecht was dat eiser niet volledig en goed zijn wil heeft kunnen bepalen en de gevolgen van zijn handelingen niet heeft kunnen overzien, maar dit rapport ziet niet op de onderhavige periode. Aan de ter zitting afgelegde verklaring van ….. komt slechts beperkte waarde toe.