Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2011-03-10
ECLI:NL:RBROT:2011:BP7341
Bestuursrecht
RECHTBANK ROTTERDAM Sector Bestuursrecht Meervoudige kamer Reg.nr.: AWB 10/966 BELEI - T1 Uitspraak in het geding tussen [eisers], wonende te [woonplaats], eisers, gemachtigde mr. M.E. Jendsen, medewerker DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V., gevestigd te Amsterdam, en het algemeen bestuur van het Schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A16 en A4, verweerder, gemachtigde prof. mr. B.P.M. van Ravels, advocaat te Breda. 1 Ontstaan en loop van de procedure Bij brief van 5 november 2007 hebben eisers aan verweerder verzocht om schadevergoeding en nadeelcompensatie toe te kennen in verband met de aanleg van de HSL-Zuid nabij hun woning aan de [adres] te [woonplaats]. Bij besluit van 6 juli 2009 heeft verweerder het verzoek van eisers afgewezen. Tegen dit besluit hebben eisers bezwaar gemaakt. Bij besluit van 8 februari 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) hebben eisers beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2011. Aanwezig waren eiser [eiser] en de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank, recht doende: verklaart het beroep ongegrond. Aldus gedaan door mr. C.A. Schreuder, voorzitter, en mr. H. Bedee en mr. A.C. Hendriks, leden, in tegenwoordigheid van J. van Mazijk, griffier. de griffier: de voorzitter: Uitgesproken in het openbaar op: 10 maart 2011. Een belanghebbende - onder wie in elk geval eisers worden begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden. Afschrift verzonden op: 2.1 Wettelijk kader Ter behandeling van verzoeken om schadevergoeding die verband houden met de aanleg van de HSL-Zuid en de verbreding, verlegging en reconstructie van de A16 en de A4, hebben de minister van Verkeer en Waterstaat en de raden van een aantal gemeenten de Gemeenschappelijke regeling schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A16 en A4 (hierna: de Gemeenschappelijke regeling) vastgesteld. Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Gemeenschappelijke regeling kan op grond van de regeling slechts schadevergoeding op verzoek van degene die schade lijdt, of zal lijden, toegekend worden als de schade een gevolg is van het onherroepelijke tracébesluit en/of daaruit rechtstreeks voortvloeiende besluiten en rechtmatige uitvoeringshandelingen van bestuursorganen, en deze schade redelijkerwijs niet of niet voldoende anderszins is verzekerd. Ingevolge artikel 9 van de Gemeenschappelijke regeling beslist het algemeen bestuur van het Schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A16 en A4 (hierna: het algemeen bestuur) op verzoeken om schadevergoeding, voor zover de schade voortvloeit uit het onherroepelijke tracébesluit en/of daaruit rechtstreeks voortvloeiende bestuursbesluiten en rechtmatige uitvoeringshandelingen. Ingevolge artikel 10 van de Gemeenschappelijke regeling is op de behandeling van en de beslissing op een aanvraag om schadevergoeding als bedoeld in artikel 9 de door het algemeen bestuur vast te stellen nadeelcompensatieverordening van toepassing. Het algemeen bestuur heeft ter uitvoering van artikel 10 van de Gemeenschappelijke regeling op 6 april 1998 de Nadeelcompensatieverordening HSL-Zuid, A16 en A4 (hierna: de Verordening) vastgesteld. In artikel 2, eerste lid, van de Verordening is bepaald, voor zover hier van belang, dat het algemeen bestuur, op verzoek van degene die schade lijdt of zal lijden, schadevergoeding toekent als de schade het gevolg is van het onherroepelijke tracébesluit en de daaruit rechtstreeks voortvloeiende besluiten en/of rechtmatige uitvoeringshandelingen van bestuursorganen, mits deze schade niet of niet geheel ten laste van degene die schade lijdt behoort te blijven en voor zover vergoeding van deze schade niet of niet voldoende anderszins is verzekerd. De hoogte van de schadevergoeding wordt naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld. 2.2 Standpunten van partijen 2.2.1 Verweerder heeft aan de afwijzing van het verzoek om vergoeding van de schade in de vorm van waardevermindering van de woning van eisers aan [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) ten grondslag gelegd een advies van de Schadecommissie HSL-Zuid/A16/A4 (hierna: de Schadecommissie) van 2 juni 2009 (hierna: het advies). De Schadecommissie heeft de situatie ter plaatse bezichtigd. Als peildatum voor het ontstaan van eventueel vergoedbare schade neemt het advies 6 september 1999. Dit is de datum waarop het toepasselijke Tracébesluit onherroepelijk is geworden. Het advies beschrijft dat de kortste afstand van het hart en de zijkant van het HSL-tracé tot de woning circa 370 m, onderscheidenlijk 340 m, is en dat het HSL-tracé (op de peildatum) vanaf de verdiepingen over de achterliggende kassen zichtbaar is. Dit zicht wordt in de zomer en (gedeeltelijk) in het voor- en najaar ontnomen door groenvoorzieningen. De geluidsbelasting van de woning (berekend op de meest belaste gevel) stijgt door de komst van de HSL, samengevat in de zogeheten milieukwaliteitsmaat (MKM), van 53 naar 54 MKM. De conclusie van de Schadecommissie is dat geen sprake is van een waardevermindering van de woning op de peildatum,, gelet op de effecten van de maximaal planologische invulling, de tracébesluitvorming annex planologische inpassing daarvan, de geringe verslechtering van de geluidsituatie (van 1 MKM), de aard van de woning, de courantheid en het prijssegment waartoe deze behoort en de relatief grote afstand tussen de woning en het HSL-tracé (plusminus 370 m). Voorts is de Schadecommissie niet gebleken van andere schade die op grond van artikel 20d Tracéwet en/of de Nadeelcompensatieverordening voor vergoeding in aanmerking komt. 2.2.2 Verweerder heeft het bezwaar van eisers tegen het niet toekennen van schadevergoeding ongegrond verklaard onder overname van een advies van de Bezwarencommissie Noord van het Schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A16 en A4 (hierna: de Bezwarencommissie) van 23 november 2009. Daarin is ten aanzien van het bezwaar van eisers dat bij de geluidsmetingen onvoldoende rekening is gehouden met de tijdelijke overbelasting van de [straat] ten tijde van de geluidsmetingen in mei 2002 overwogen dat op het MKM-formulier in de huidige MKM-waarde de al bestaande geluidsbronnen zijn meegenomen inclusief de (planologisch) maximale invulling, uitgaande van de voorafgaande aan de peildatum van 6 september 1999 destijds meest waarschijnlijke planologische invulling. Daarnaast heeft de Bezwarencommissie in het bestreden besluit overwogen dat niet is gebleken dat de MKM-gegevens op onjuiste of onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. Het gehanteerde akoestische model is beoordeeld door de Raad van State en als kennelijk niet onredelijk gekwalificeerd. Voor zover eisers betogen dat de geluidsbelasting op de achtergevel van hun woning hoger is dan in het advies wordt aangegeven, overweegt de Bezwarencommissie dat eisers ter adstructie daarvan wijzen naar geluidsmetingen van de [straat] in mei 2002 terwijl het hier aan de orde zijnde peilmoment 6 september 1999 is en dat eisers geen gedegen nadere onderbouwing hebben overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat de berekende MKM-waarden onjuist zijn. De bezwarencommissie geeft aan dat piekbelasting hoger kan zijn, maar dat in de advisering wordt uitgegaan - en ook uitgegaan mag worden - van de gemiddelde geluidsbelasting van de HSL. 2.2.3 Eisers handhaven in beroep hun in bezwaar naar voren gebrachte grieven dat ten tijde van de geluidsmeting in 2002 de [straat] tijdelijk overbelast was, waardoor de geluidsmetingen die in 2002 zijn gedaan geen goed beeld geven, dat de belasting van geluid op de achtergevel van de woning hoger is dan in het rapport is aangegeven en dat het geluid van de HSL in de praktijk harder blijkt te zijn dan in rapporten is vastgelegd. Daarnaast stellen zij dat het bestreden besluit en het advies dat daaraan ten grondslag is gelegd onzorgvuldig tot stand is gekomen en een deugdelijke motivering ontbeert. Op hun grief dat de woning op een dijk ligt en dat de geluidsbelasting daardoor hoger is, is door verweerder niet ingegaan. Het is voor eisers dan ook niet inzichtelijk of hiermee rekening is gehouden. Ook is niet duidelijk of er is voldaan aan de voorschriften van het Reken- en Meetvoorschrift geluidhinder 2006. Volgens eisers is inmiddels in het TNO-rapport van TNO Industrie en Techniek van 15 oktober 2009 objectief vastgesteld dat eisers meer geluidslast ondervinden door de HSL. Nu vaststaat dat er een verschil van 14 dB(A) bestaat tussen de initiële (foutieve) berekeningen en de uiteindelijke metingen waarop het besluit is gebaseerd, kan het bestreden besluit geen stand houden. Dat slechts sprake zou zijn van een geluidsverslechtering van 1 MKM staat niet vast en feitelijk ondervinden eisers aanzienlijk meer geluidsoverlast dan zij op grond van de foutieve rekenmodellen zouden ondervinden. Ter onderbouwing van hun standpunt hebben eisers het TNO-rapport “Evaluatie van de geluidsemissie van de HSL-Zuid (dienstregeling september 2009)” van 15 oktober 2009 overgelegd. 2.3 Beoordeling 2.3.1 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dient voor de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding te worden onderzocht of zich een wijziging van het planologische regime heeft voorgedaan, waardoor de verzoeker in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel, waarbij de wijziging tot stand is gebracht en het voordien geldende planologische regime.