Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2011-07-14
ECLI:NL:RBROT:2011:BR3322
Civiel recht
RECHTBANK ROTTERDAM Sector kanton Locatie Rotterdam beschikking ex artikel 10 lid 2 Wet Medezeggenschap Cliënten Zorginstellingen in de zaak [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker, in persoon, tegen [verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats], verweerster, gemachtigde: mr. E. Haverkamp. Partijen zullen hierna worden aangeduid als “[verzoeker]” respectievelijk “[verweerster]”. 1. Het verloop van de procedure - het verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 23 mei 2011; - het verweerschrift, met bijlagen; - reactie op het verweerschrift, met bijlagen; - de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling door partijen overgelegde pleitnota’s; De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 juni 2011. Ter zitting is [verzoeker] verschenen vergezeld door [A], juridisch adviseur gezondheidsrecht. Namens [verweerster] zijn verschenen: [B], directeur zorg [verweerster], [C], manager zorglijn KBB [verweerster], [E], bestuurssecretaris Parnassia [verweerster] Groep en tevens gemachtigde, [F], voorzitter Zorglijnraad KBB en [G], vicevoorzitter beleidsraad [verweerster] Europoort. In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten: - [verweerster] is onderdeel van de Parnassia Bavo Groep B.V. (hierna: Parnassia Bavo Groep); De Parnassia Bavo Groep valt onder de Branchevereniging GGZ Nederland. Laatstgenoemde maakt deel uit van de Branchevereniging Zorg; - [verweerster] is een zorginstelling gespecialiseerd in de psychiatrie en biedt vanuit meerdere vestigingen zorg aan cliënten; - Door [verweerster] wordt op de locatie gelegen te Capelle aan den IJssel (hierna: Capelle), aan ongeveer 170 to 180 cliënten zorg aangeboden; - Tot april 2011 bestond er voor de locatie Capelle een aparte cliëntenraad; - [verweerster] heeft in 2010 de organisatiestructuur aangepast. In plaats van de zorg te organiseren in divisies is de zorg voortaan georganiseerd in zorglijnen. Naar aanleiding van aanpassing van de organisatiestructuur heeft het bestuur gemeend ook de structuur van de medezeggenschap in overeenstemming te brengen met de zorglijnstructuur; - Het voorstel om medezeggenschapstructuur te wijzigen is tijdens een gemeenschappelijke radendag in stemming gebracht. Met uitzondering van [verzoeker] stemden alle aanwezigen in met de nieuwe structuur zoals die toen in hoofdlijnen bekend was; - Per brief van 10 maart 2011 heeft de beleidsraad aan de bestuurder laten weten dat alle cliëntenraden zich kunnen vinden in de nieuwe medezeggenschapstructuur; - Bij besluit van 8 april 2011 heeft de bestuurder de nieuwe medezeggenschapsstructuur ingevoerd en zijn de cliëntenraden van de locatie Capelle en de locatie Zevenkamp samengevoegd tot de zorglijnraad Klinische Behandeling en Begeleiding (KBB). Deze zorglijnraad behartigt de belangen van de cliënten van de vestigingen Capelle, de Schietbaanstraat en de Heemraadsingel. 3. Het verzoek en de grondslag daarvan 3.1 [verzoeker] verzoekt primair de kantonrechter op grond van artikel 10 lid 2 van de Wet Medezeggenschap Cliënten Zorginstellingen (hierna: WMCZ) [verweerster] te bevelen een cliëntenraad in te stellen voor de locatie Capelle. Subsidiair verzoekt [verzoeker] de kantonrechter, indien het primaire verzoek wordt toegewezen, [verweerster] te bevelen artikel 2 leden 2 en 3 WMCZ na te leven en alle in artikel 3 WMCZ genoemde adviesbevoegheden aan de cliëntenraad toe te kennen, kosten rechtens. 3.2 Aan zijn verzoek legt [verzoeker] -kort samengevat- het volgende ten grondslag. Door invoering van de nieuwe medezeggenschapstructuur handelt [verweerster] in strijd met de bedoeling van de WMCZ. Volgens artikel 2 WMCZ dient een zorgaanbieder voor elke door hem in stand gehouden locatie van de instelling een cliëntenraad in te stellen. Door invoering van de nieuwe organisatiestructuur bestaat er thans nog maar één cliëntenraad binnen [verweerster]. Deze cliëntenraad heeft [verweerster] beleidsraad genoemd en hieronder ressorteren de verschillende zorglijnraden. Deze zorglijnraden bestrijken meerdere instellingen en hebben geen formele adviesbevoegdheden. Derhalve kunnen deze zorglijnraden niet als cliëntenraden in de zin van de WMCZ worden aangemerkt. Ten onrechte heeft [verweerster] besloten om de cliëntenraad van de locatie Capelle op te heffen. 4. Het verweer 4.1 Het verweer strekt tot afwijzing van het verzoek. Volgens [verweerster] voldoet haar huidige medezeggenschapsstructuur aan de uitgangspunten van de WMCZ en de interne regels zoals die staan vermeld in het Modelreglement Cliëntenraad Stichting Parnassia Bavo Groep. In de WMCZ wordt voor het begrip instelling verwezen naar de Wet toelating zorginstellingen (hierna: WTZi). Op basis van de WTZi dient de rechtspersoon Bavo Europoort als instelling te worden aangemerkt en niet als zorgaanbieder die vanuit verschillende instellingen zorg aanbiedt. [verweerster] stelt voorts dat de locaties waaruit zij haar zorg aanbiedt geen organisatorische verbanden zijn die als zelfstandige eenheid optreden. [verweerster] is dit wel en is als zorgbedrijf een onderdeel van de Parnassia Bavo Groep. 4.2 [verweerster] verwijst voor haar stelling, dat niet per instelling een cliëntenraad vereist is, voorts naar artikel 33 lid 3 van het wetsontwerp Wet cliëntenrechten zorg (hierna: Wcz). Dit artikel bepaalt dat de zorgaanbieder die de zorg zodanig heeft georganiseerd dat daarbij sprake is van meerdere te onderscheiden onderdelen, per onderdeel een cliëntenraad dient in te stellen indien dit voor die onderdelen in redelijkheid aangewezen is te achten. Volgens [verweerster] blijkt uit deze bepaling en de memorie van toelichting bij dit artikel dat de wetgever, gelet op de uiteenlopende situaties in de zorg, in de Wcz ervoor kiest niet in de wet vast te leggen op welke niveaus cliëntenraden dienen te worden ingesteld. 5.1 Op grond van artikel 2 lid 1 WMCZ dient een zorgaanbieder een cliëntenraad in te stellen voor elke door hem in stand gehouden instelling. Partijen zijn verdeeld over de vraag of [verweerster] op grond van dit artikel gehouden is voor locatie Capelle een cliëntenraad in te stellen. Ter beantwoording van deze vraag dient eerst te worden vastgesteld of [verweerster] moet worden aangemerkt als zorgaanbieder of instelling als bedoeld in de WMCZ. 5.2 In de memorie van toelichting van de WMCZ staat vermeld dat de term zorgaanbieder zorgvuldig dient te worden onderscheiden van het begrip instelling. Het begrip zorgaanbieder wordt gedefinieerd als de juridisch verantwoordelijke voor het reilen en zeilen van de instelling en als degene die aan de in het wetsvoorstel opgenomen verplichtingen moet voldoen (Kamerstukken II 1992/93, 23 041, nr. 3, p. 23). In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp van de Wcz, de wet die mocht zij inwerking treden de WMCZ zal vervangen, wordt de zorgaanbieder omschreven als de natuurlijk persoon of de rechtspersoon die zorg doet verlenen door één of meer natuurlijke personen die bij hem in dienst zijn getreden of zorg verleent op basis van een andere titel, bijvoorbeeld een toelatingsovereenkomst. In de memorie van toelichting staat voorts vermeld dat indien met behulp van statutaire verbindingen onder een overkoepelende rechtspersoon afzonderlijke rechtspersonen zijn belast met het in stand houden van de instellingen, de laatstbedoelde rechtspersonen degenen zijn die de zorg doen verlenen en voor de toepassing van deze wet als zorgaanbieders zijn aan te merken (Kamerstukken II 2009/10, 32 402, nr. 3, p. 90-91). 5.3 Het begrip instelling wordt in de memorie van toelichting van de WMCZ omschreven als een organisatorisch geheel waarin de zorg wordt verleend, veelal vanuit een ruimtelijke voorziening. Voorts staat in de memorie van toelichting van de WMCZ vermeld dat onder andere ziekenhuizen, verpleeghuizen en regionale instellingen voor ambulante geestelijke gezondheidszorg als instelling kunnen worden aangemerkt (Kamerstukken II 1992/93, 23 041, nr. 3, p. 22-25). 5.4 Door invoering van de WTZi is de definitie van het begrip instelling in de WMCZ aangepast. Thans wordt het begrip instelling gedefinieerd als een instelling van de Wet toelating zorginstellingen en een elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin maatschappelijke zorg of gezondheidszorg wordt verleend en dat wordt bekostigd uit collectieve middelen. Op grond van de WTZi worden toelatingen niet langer alleen toegekend aan een locatie maar ook aan een rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de verschillende locaties waar vanuit zij zorg aanbiedt. Strikt genomen is hierdoor de mogelijkheid ontstaan dat, in gevallen dat onder een rechtspersoon een afzonderlijke rechtspersoon bestaat die verantwoordelijk is voor de onder haar ressorterende instellingen, de rechtspersoon die een toelating krijgt toegekend als instelling kan worden aangemerkt, zodat de zorgaanbieder alleen gehouden is op niveau van de beherende rechtspersoon een cliëntenraad in te stellen. 5.5 Blijkens de memorie van toelichting van wetsvoorstel 30 946 heeft de wetgever deze ontstane mogelijkheid echter onwenselijk geacht. In de memorie van toelichting van het wetsontwerp staat het volgende vermeld: “(..) dat het organisatorisch verband dat bij de WTZi een toelating krijgt niet per se op hetzelfde niveau hoeft te liggen als het niveau waarvoor de wetgever destijds een cliëntenraad wenselijk achtte namelijk het niveau waar daadwerkelijk zorg wordt verleend. Hierdoor sluit artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1 Wmcz niet meer aan bij de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever dat er niet kan worden volstaan met één cliëntenraad voor alle onder de zorgaanbieder ressorterende tehuizen of inrichtingen.” (Kamerstukken II 2006/07, 30 946, nr. 3, p. 2) Het wetsvoorstel is met het oog op het wetsontwerp van de Wcz onlangs ingetrokken. 5.6 Al het voorgaande in aanmerking nemende is de kantonrechter van oordeel dat [verweerster] dient te worden aangemerkt als zorgaanbieder in de zin van de WMCZ. [verweerster] kan immers worden aangemerkt als de verantwoordelijke voor de onder haar vallende locaties, zodat zij onder de omschrijving van het begrip zorgaanbieder valt zoals dit door de wetgever in de memorie van toelichting van de WMCZ is omschreven. Voorts valt [verweerster] blijkens de memorie van toelichting bij de Wcz onder de omschrijving van het begrip zorgaanbieder zoals bedoeld in deze wet. De omstandigheid dat door invoering van de WTZi en de daarmee samenhangende wijziging van de WMCZ [verweerster] strikt genomen ook als instelling kan worden aangemerkt, acht de kantonrechter in strijd met de bedoeling van de wetgever. De wetgever heeft blijkens de memorie van toelichting van de WMCZ immers met een instelling bedoeld het organisatorisch geheel waarin de zorg wordt verleend. Niet gebleken is dat [verweerster] als zodanig kan worden aangemerkt. 5.7 Nu vast is komen te staan dat [verweerster] als zorgaanbieder kan worden aangemerkt dient vervolgens te worden beoordeeld of de locatie Capelle kan worden aangemerkt als instelling zoals bedoeld in de WMCZ. Uit de feiten blijkt dat op de locatie Capelle aan 170 tot 180 cliënten zorg wordt verleend, zodat niet kan worden gesteld dat het hier slechts een zorghuis of dependance betreft. Naar het oordeel van de kantonrechter dient dan ook de vraag of locatie Capelle als instelling in de zin van de WMCZ kan worden aangemerkt, mede gelet op hetgeen reeds onder 5.3 is overwogen, bevestigend te worden beantwoord. In dit verband merkt de kantonrechter nog op dat de wetgever de termen instelling, tehuis en inrichting als synoniemen gebruikt, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de passage: “Uit de memorie van toelichting bij het oorspronkelijke wetsvoorstel van WMCZ blijkt dat de bedoeling van de wetgever was dat als een zorgaanbieder meer dan één instelling instandhoudt, er voor iedere instelling een afzonderlijke cliëntenraad in het leven moeten worden geroepen. De wetgever stelt nadrukkelijk dat er niet kan worden volstaan met één cliëntenraad voor allen onder de zorgaanbieder ressorterende tehuizen of inrichtingen (Kamerstukken II 1992/93, 23041, nr. 3 blz. 27). Het is de bedoeling dat er een cliëntenraad wordt ingesteld op het niveau waar daadwerkelijk zorg wordt verleend.” (Kamerstukken II 2006/07, 30 946, nr. 3, p. 2) 5.8 Ten aanzien van de vraag of [verweerster] gehouden is voor locatie Capelle een cliëntenraad in te stellen overweegt de kantonrechter als volgt. 5.9 Zoals uit voormelde passage blijkt staat in de memorie van toelichting van de WMCZ vermeld dat in het geval een zorgaanbieder meer dan één instelling in stand houdt, voor iedere instelling afzonderlijk een cliëntenraad dient te worden ingesteld. De wetgever heeft in de memorie van toelichting expliciet aangegeven dat niet kan worden volstaan met één cliëntenraad voor alle onder een zorgaanbieder ressorterende tehuizen en inrichtingen (Kamerstukken II 1992/93, 23 041, nr. 3, p. 25). 5.10 Uit het voorgaande volgt dat uitgangspunt behoort te zijn dat voor iedere instelling als bedoeld in de WMCZ een cliëntenraad dient te worden ingesteld. Deze verplichting kan onder bepaalde omstandigheden echter tot een onwerkbare situatie leiden, indien een zorgaanbieder uit tal van kleine instellingen of locaties bestaat en er tientallen cliëntenraden ingesteld zouden moeten worden. De kantonrechter: beveelt [verweerster] binnen drie maanden na heden een cliëntenraad als bedoeld in artikel 2 lid 1 WMCZ in te stellen; veroordeelt [verweerster] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] vastgesteld op maximaal € 250,00 (waaronder begrepen een bedrag van € 71,00 aan griffierecht en een door [verzoeker] nader aan [verweerster] te specificeren bedrag aan portokosten, kopieerkosten en reiskosten). Deze beschikking is gegeven door mr. C.J. Frikkee en uitgesproken ter openbare terechtzitting.