Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2018-02-16
ECLI:NL:RBROT:2018:1114
Bestuursrecht
Rechtbank Rotterdam Team Bestuursrecht 2 zaaknummer: ROT 17/2563 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2018 in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats], eiser, en de staatssecretaris van Financiën, verweerder, gemachtigde: mr. H.R. Gorter. Bij besluit van 16 november 2015 (het primaire besluit), aan eiser bekend gemaakt op 30 december 2015, heeft verweerder aan eiser eervol ontslag verleend met ingang van 1 maart 2016. Eisers heeft op 23 december 2015 een gewijzigd verzoek ingediend tot ontslag met toekenning van een stimuleringspremie. Verweerder heeft eiser hierop bij e-mailbericht van 18 januari 2016 bericht dat het niet mogelijk is om terug te komen op het ontslagbesluit van 16 november 2015. Bij besluit van 9 maart 2016 heeft verweerder het ontslagbesluit van 16 november 2015 in bezwaar gehandhaafd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Bij uitspraak van 21 november 2016 (ROT 16/3465) heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 maart 2016 vernietigd en verweerder opgedragen om met inachtneming van die uitspraak in bezwaar een nieuw besluit te nemen op eisers gewijzigde ontslagverzoek. Bij besluit van 15 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder zijn oorspronkelijke ontslagbesluit gehandhaafd en beslist tot afwijzing van eisers verzoek tot toekenning van een stimuleringspremie. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2018. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank verklaart het beroep gegrond vernietigt het bestreden besluit van 15 maart 2017 en draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,00 aan eiser te vergoeden; Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.L. van Mulbregt, rechter, in aanwezigheid van mr. N.C. Correa, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2018. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. 1.1. Eiser is werkzaam geweest als senior adviseur bedrijfsvoering bij de Staf werkomgeving en heeft verweerder op 9 november 2015 verzocht om zijn dienstverband te beëindigen. Op 11 november 2015 heeft eisers leidinggevende dit verzoek goedgekeurd. Bij besluit van 16 november 2015, aan eiser bekend gemaakt op 30 december 2015, heeft verweerder eiser eervol ontslag verleend met ingang van 1 maart 2016. Daarbij is aan eiser over de periode van 1 januari 2016 tot 1 maart 2016 buitengewoon verlof verleend met behoud van bezoldiging. 1.2. De Investeringsagenda Belastingdienst is een in 2015 door verweerder vastgesteld verbeterprogramma voor de Belastingdienst voor een periode van vijf tot zeven jaar. Het is de verwachting dat door deze reorganisatie van de Belastingdienst ongeveer 5.000 functies komen te vervallen. Op 23 november 2015 heeft de Directeur-Generaal van de Belastingdienst het Georganiseerd Overleg Belastingdienst (GOBD) een voorstel gedaan voor vrijwillige mobiliteit en een uitwerking voorgesteld van het rijksbrede Van-Werk-Naar-Werkbeleid (VWNW-beleid) voor de Belastingdienst. Dit is op 24 november en op 8 december 2015 bekendgemaakt op intranet. In het overleg van 14 januari 2016 is binnen het GOBD definitief overeenstemming bereikt over de verdere uitwerking van het VWNW-beleid voor de Belastingdienst. 1.3. Het VWNW-beleid voor de Belastingdienst is op 18 januari 2016 op intranet bekendgemaakt. In dat beleid is, voor zover hier van belang, opgenomen dat medewerkers die de veranderingen door de Investeringsagenda niet willen afwachten, afspraken kunnen maken over een directe uitstroom met een stimuleringspremie variant A. Reeds ingediende, maar nog niet goedgekeurde ontslagverzoeken per 1 januari 2016 of later kunnen volgens het intranetbericht zo worden aangepast, dat medewerkers alsnog in aanmerking komen voor de nieuwe regels rondom het VWNW-beleid. 1.4. Eiser heeft bij brief van 23 december 2015 een gewijzigd ontslagverzoek ingediend, met een verzoek tot toekenning van de stimuleringspremie variant A. De eerder toegekende twee maanden buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging zouden dan kunnen worden omgezet in twee maanden buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging. Eiser is bereid het werkgevers- en werknemersdeel van de pensioenpremie over de maanden januari en februari 2016 voor zijn rekening te nemen. De ingangsdatum van het pensioen kan dan 1 maart 2016 blijven. 1.5. Verweerder heeft het bezwaar van eiser op 9 maart 2016 ongegrond verklaard, omdat een al gehonoreerd verzoek om ontslag volgens vaste rechtspraak niet meer kan worden ingetrokken en eiser zijn wijzigingsverzoek te laat heeft ingediend. 1.6. In haar uitspraak van 21 november 2016 heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard, nu bij de beoordeling van eisers verzoek bepalend is de datum waarop het ontslagbesluit op de daartoe voorgeschreven wijze aan eiser bekend is gemaakt en daarmee in werking is getreden. Dat was pas op 30 december 2015 het geval, zodat eiser tijdig zijn ontslagverzoek heeft gewijzigd en verweerder een beslissing had moeten nemen op dat gewijzigde verzoek met inachtneming van de afspraken in het kader van het VWNW-beleid. 1.7. Verweerder concludeert in het bestreden besluit dat eiser zijn beslissing om de Belastingdienst per 1 maart 2016 te verlaten had genomen lang voordat het VWNW-beleid op 18 januari 2016 in werking trad. Gezien de gemaakte afspraken met eiser over uitstroom, was stimulering van zijn ontslag naar het oordeel van verweerder niet meer aan de orde. Hoewel eiser in zijn brief van 23 december 2015 gerechtvaardigd terug mocht komen op zijn eerdere ontslagaanvraag, heeft eiser te kennen gegeven zijn ontslag per 1 maart 2016 in stand te willen laten. Verweerder handhaaft daarom het genomen ontslagbesluit, inclusief de daarbij gemaakte afspraken over uitstroom van eiser, en wijst eisers verzoek tot toekenning van een stimuleringspremie af. 2. Eiser voert in beroep aan dat zijn ontslagverzoek binnen de bredere context beschouwd moet worden van een omvangrijke bezuinigingsoperatie bij de Belastingdienst. Verweerder heeft in januari 2015 een indringende oproep gedaan aan medewerkers om met bezuinigingsvoorstellen te komen. Eiser heeft hiertoe - vanuit een vergelijkbaar oogmerk als het latere VWNW-beleid - een voorstel ingediend, waarmee uiteindelijk zijn functie zou komen te vervallen. Hij heeft verweerder verzocht om een tegemoetkoming in de voor hem nadelige financiële consequenties bij een vervroegde pensionering. Volgens eiser heeft verweerder op verschillende momenten de verwachting gewekt dat hem een financiële compensatie zou worden toegekend. Tegen deze achtergrond kan niet worden gesproken van een vrijwillig verzoek tot ontslag op geheel andere gronden, zoals verweerder stelt. Eiser is van mening dat verweerder ten onrechte de suggestie wekt dat zijn gewijzigde ontslagaanvraag een “koud” verzoek betreft tot toekenning van een stimuleringspremie. Eiser heeft voorgesteld om, met handhaving van de eerder afgesproken datum van ontslag, de hierbij afgesproken financiële voorwaarden te herzien. Op basis van het geldende VWNW-beleid, en in lijn met de uitspraak van de rechtbank van 21 november 2016, diende verweerder het gewijzigde ontslagverzoek van 23 december 2015 in beginsel in te willigen. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd, aangezien eiser destijds voldeed aan alle eisen die voor toekenning van de stimuleringspremie golden. Weigering van een stimuleringspremie moet binnen de geschetste omstandigheden onredelijk worden geacht. 3. Verweerder verwijst naar het bestreden besluit voor een overzicht van de feiten en zijn daarop gebaseerde standpunten. De aanspraak op een stimuleringspremie als omschreven in artikel 49tt van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) is bedoeld - zo blijkt uit de Nota van Toelichting (Stb 2013, 540) bij dit artikel - om als prikkel te dienen voor vrijwillig vertrek. Het bevoegd gezag dient op grond van feiten en omstandigheden te bepalen of behoefte bestaat aan stimulering. Dat was in het geval van eiser niet aan de orde, nu ruim voor de inwerkingtreding van het VWNW-beleid al afspraken zijn gemaakt over zijn vertrek. De door eiser geschetste omstandigheden uit de periode voor zijn ontslagaanvraag doen hier niet aan af. Als geen behoefte aan stimulering aanwezig is, bestaat volgens vaste rechtspraak geen recht op een stimuleringspremie. Verweerder acht het beroep daarom ongegrond. Op een vraag van de rechtbank over de bij bekendmaking van het VWNW-beleid geboden mogelijkheid om lopende ontslagaanvragen te herzien, heeft verweerder zich ter zitting op het standpunt gesteld dat eiser niet viel binnen de beoogde doelgroep, omdat zijn oorspronkelijke ontslagverzoek al was goedgekeurd en met eiser afspraken waren gemaakt over de randvoorwaarden hierbij. 4.1. Op grond van artikel 49xx van het ARAR kan verweerder voorzieningen toekennen, als bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit reglement, voor zover daarmee de plaatsing van een VWNW-kandidaat wordt gerealiseerd of hiermee een bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van een taakstelling. Het VWNW-beleid voor de Belastingdienst is in hoofdstuk 1, onderdeel 7B van de Personele Uitvoeringsbepalingen Belastingdienst (PUB 2015) verder uitgewerkt. In hoofdstuk 1, onderdeel 7B van de PUB 2015 is, voor zover hier van belang, opgenomen dat een medewerker met een vaste aanstelling en werkzaam bij een onderdeel van de Belastingdienst afspraken kan maken over directe uitstroom met een stimuleringspremie variant A. Verweerder verleent ontslag op eigen verzoek onder toekenning van een stimuleringspremie met toepassing van artikel 49tt van het ARAR, dat wil zeggen mits de kandidaat afziet van zijn aanspraak op het begeleidingstraject en de voorzieningen, bedoeld in § 3 van hoofdstuk VIIbis van het ARAR.
Toegepaste wetsartikelen
- Artikel 3 — Besluit houdende de beperking openbaarheid archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Zimbabwe, Ambassade Harare (1956) 1980–2013 (2014), Besluit Beperking Openbaarheid Ambassade Harare 1980–2013 (2014)
- Artikel 4 — Besluit houdende de beperking openbaarheid archiefbescheiden geborgen in het archief van de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in Zimbabwe, Ambassade Harare (1956) 1980–2013 (2014), Besluit Beperking Openbaarheid Ambassade Harare 1980–2013 (2014)