Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2021-12-24
ECLI:NL:RBROT:2021:12829
Bestuursrecht
Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 20/732 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 december 2021 in de zaak tussen [naam eiseres], te [woonplaats eiseres], eiseres, gemachtigde: mr. J. Nieuwstraten, en de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder, gemachtigde: mr. G.E. Eind. Bij besluit van 22 augustus 2019 (primair besluit I) heeft verweerder bepaald dat eiseres in het jaar 2018 € 246,94 teveel aanvulling op de gezinsbijslag heeft ontvangen. Bij besluit van 6 september 2019 (primair besluit II) heeft verweerder een betalingsregeling vastgesteld. Vanaf het derde kwartaal van 2019 heeft verweerder drie kwartalen € 400,- en één kwartaal € 172,15 verrekend met het recht op kinderbijslag. Bij besluit van 31 december 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2021. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld door [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde vergezeld door mr. P. Stahl-de Bruin. Ter zitting is het onderzoek geschorst. Bij brieven van 9 augustus 2021 en 24 augustus 2021 hebben eiseres en verweerder hun stanspunten nader onderbouwd. Partijen hebben de rechtbank daarbij laten weten af te zien van een nadere zitting. Hierna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; verklaart het bezwaar gegrond en herroept de primaire besluiten; bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 48,- vergoedt; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.992,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van mr. N.C. Correa, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 24 december 2021. de rechter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. 1.1 Eiseres woont met haar kinderen in Nederland. De partner van eiseres, met wie zij in 2018 nog gehuwd was maar waarvan zij op dat moment duurzaam gescheiden leefde, woonde en werkte in 2018 in België. De partner van eiseres ontving gezinsbijslag in België. 1.2 De Nederlandse gezinsbijslag bestaat in het geval van eiseres uit kinderbijslag en kindgebonden budget. Bij bepaling van de hoogte van de Nederlandse gezinsbijslag wordt vergelijkbare gezinsbijslag uit het buitenland afgetrokken van het Nederlandse recht op gezinsbijslag. Het verschil wordt een keer per kwartaal uitbetaald in de vorm van een aanvulling. 1.3 Bij twee besluiten van 15 november 2018 heeft verweerder bepaald dat eiseres over 2017 en 2018 in totaal € 1.125,21 teveel aan aanvulling heeft ontvangen. Tegen de besluiten van 15 november 2018 heeft eiseres geen rechtsmiddelen aangewend. 1.4 Met primair besluit I heeft verweerder bepaald dat eiseres over het jaar 2018 nog eens € 246,94 teveel aan aanvulling heeft ontvangen. Met primair besluit II heeft verweerder ter invordering een betalingsregeling vastgesteld voor de over de jaren 2017 en 2018 teveel ontvangen aanvulling van in totaal € 1.372,15. 2. Aan het bestreden besluit legt verweerder ten grondslag dat eiseres over de jaren 2017 en 2018 in totaal € 1.372,15 teveel aan aanvulling heeft ontvangen en dat zij dit bedrag moet terugbetalen. Van zeer bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat eiseres minder of niets terug hoeft te betalen, is niet gebleken. Voor zover de ten onrechte betaalde aanvulling bestaat uit kinderbijslag, volgt de bevoegdheid tot terug- en invordering uit de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Op grond van een door de Belastingdienst en de Sociale verzekeringsbank (Svb) gesloten convenant van oktober 2007 (het convenant) vordert verweerder daarbij namens de Belastingdienst het teveel betaalde kindgebonden budget terug, en in. 3. Eiseres voert aan dat verweerder niet bevoegd is het kindgebonden budget namens de Belastingdienst terug te vorderen omdat daarvoor een wettelijke grondslag ontbreekt. Verweerder is dan ook niet bevoegd een betalingsregeling vast te stellen voor zover de terugvordering ziet op het teveel ontvangen deel van de aanvulling dat bestaat uit kindgebonden budget. Voor zover verweerder ter onderbouwing van zijn bevoegdheid wijst op het convenant voert eiseres aan dat niet duidelijk is hoe dit convenant zich verhoudt tot artikel 5 van de Wet op het kindgebonden budget (Wkb), op grond waarvan de Belastingdienst/Toeslagen belast is met de uitvoering van de Wkb. Naast het feit dat de bevoegdheid tot terugvordering ontbreekt, voert eiseres aan dat het in haar nadeel is als het kindgebonden budget door verweerder wordt teruggevorderd omdat terugvordering door de Belastingdienst/Toeslagen meer ruimte biedt voor een persoonlijke betalingsregeling. Verweerder daarentegen vordert bedragen van € 400 per kwartaal terug en in en houdt daarbij geen rekening met de beslagvrije voet. Eiseres voert tenslotte aan dat de besluitvorming niet inzichtelijk is, dat noch verweerder, noch de Belastingdienst/Toeslagen haar duidelijk kan maken hoe de bedragen zijn berekend, dat zij inmiddels drie juridische procedures heeft lopen waarbij deze problematiek aan de orde is en dat haar actuele recht op kindgebonden budget haar volledig onduidelijk is. 4. Artikel 20 van de AKW bepaalt dat indien voor hetzelfde kind kinderbijslag of een naar aard en strekking daarmee overeenkomende gezinsbijslag is betaald, dan wel kan worden betaald ingevolge deze wet en ingevolge een rechtens geldende regeling, bestaande in een ander land, of ingevolge een regeling van een volkenrechtelijke organisatie, bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld ter voorkoming, verrekening en beperking van samenloop met dergelijke gezinsbijslagen of ter voorkoming van dubbele kinderbijslag. 5.1 Op grond van artikel 34 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet Suwi) is de uitvoering van de AKW door de wetgever opgedragen aan de Svb. Uit artikel 5, eerste lid van de Wkb, volgt verder dat de wetgever de uitvoering van de Wkb aan Belastingdienst/Toeslagen heeft opgedragen. De bevoegdheid van de Belastingdienst/Toeslagen tot terug- en invordering van het kindgebonden budget vloeit voort uit de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). 5.2 In een ‘Convenant tussen Sociale Verzekeringsbank & Belastingdienst betreffende de uitvoering van de Wet kindgebonden budget (voorheen kindertoeslag)’, gedateerd 31 oktober 2007, staat onder meer vermeld: ‘[…] Hebben de Belastingdienst en de SVB de volgende afspraken gemaakt ten bate van de uitvoering van de Wet op het kindgebonden budget; • De SVB informeert de Belastingdienst over het recht op kinderbijslag dan wel of er sprake is van een situatie waarin recht op kinderbijslag zou hebben bestaan indien de artikelen 7, tweede lid en artikel 7a (Algemene Kinderbijslagwet) niet van toepassing zouden zijn; • De Belastingdienst informeert de SVB over het recht op kindgebonden budget voor de toepassing van Verordening EEG 1408/71; • De SVB informeert de buitenlandse verbindingsorganen over Nederlandse rechten op gezinsbijslagen; • De SVB voert betalingen van gezinsbijslagen uit aan ‘buitenlandgevallen’ alsmede terugvorderingen van teveel betaalde gezinsbijslag in deze gevallen; […]’ 5.3 Zoals in 5.1 staat, is op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wet op het kindgebonden budget de Belastingdienst/Toeslagen belast met de uitvoering van deze wet. Met het convenant hebben de betrokken partijen afspraken gemaakt over de uitvoering van het kindgebonden budget. Hieraan ligt onder meer ten grondslag dat, om in aanmerking te komen voor kindgebonden budget, er voor het kind ook recht moet bestaan op kinderbijslag. Bovendien sluit (de uitvoering van) het kindgebonden budget volgens partijen bij het convenant beter aan op de systematiek van de AKW dan op het kindbegrip in de Awir. Op schriftelijke vragen van de rechtbank is namens verweerder geantwoord dat met het convenant geen sprake is van delegatie of mandaat van de bevoegdheid om de kindgebonden budget terug- dan wel in te vorderen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het convenant moet worden opgevat als een machtiging van de Svb door de Belastingdienst/Toeslagen om over te gaan tot het incasseren van onverschuldigd betaald kindgebonden budget. Verweerder heeft er bovendien op gewezen dat in de memorie van toelichting bij de Wkb (Kamerstukken II, 30 912, nr. 3) staat dat de Svb ten aanzien van betrokken die in het buitenland wonen, dan wel in Nederland wonen en in het buitenland werken, zorg zal dragen voor de dienstverlening, uitbetaling, het toezicht en het terugvorderen van ten onrechte uitbetaalde kindertoeslag. Verweerder heeft ook gewezen op artikel 20 van de AKW waarin gesproken wordt van gezinsbijslag, waaronder ook het kindgebonden budget wordt gerekend. 5.4 Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een bestuursorgaan een hem geattribueerde bevoegdheid delegeren, mits de bevoegdheid daartoe bij wettelijke voorschrift is gegeven. Verder is het mogelijk dat een bestuursorgaan een bevoegdheid via een mandaat door een ander bestuursorgaan laat uitoefenen. Daargelaten dat niet in geschil is dat het convenant een intern document is dat niet gepubliceerd is of anderszins voor derden kenbaar is, staat vast dat van delegatie of mandaat ook volgens verweerder zelf in dit geval geen sprake is. Ook als verweerder gevolgd zou worden in zijn standpunt dat het convenant als machtiging moet worden opgevat, leidt dit niet tot het oordeel dat de bevoegdheid om op grond van de Wkb verstrekte gelden terug en in te vorderen, daarmee bij verweerder is komen te liggen.