ECLI:NL:RBROT:2023:3081
Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 71/028979-22
Datum uitspraak: 13 april 2023
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte01] ,
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres01] te ( [postcode01] ) [plaats01] ,
raadsvrouw mr. E. Kolokatsi, advocaat te Amersfoort.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 7 maart en 13 april 2023.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de nader omschreven tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Kort gezegd luidt de verdenking onder feit 1 dat zij heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie ( IS), onder feit 2 dat zij voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor een terroristisch misdrijf en onder feit 3 dat zij haar kind in hulpeloze toestand heeft gebracht en gelaten door met hem af te reizen naar oorlogsgebied en hem te laten aansluiten bij een terroristische organisatie waardoor hij is overleden.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. C.J. Kroon heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde (met uitzondering van de periode na 23 september 2017 en het medeplegen), van het onder 2 ten laste gelegde (met uitzondering van de periode na 17 juni 2016 en het medeplegen) en van het onder 3 ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van voorarrest.
4. Waardering van het bewijs
4.1. Vrijspraak feit 1 en 2
4.1.1. Standpunt officier van justitie
Aangevoerd is dat de verdachte heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie. Zij is samen met haar zoon [naam01] naar Turkije afgereisd om haar dochter [naam02] te bezoeken. Dat het doel was om [naam02] mee terug te nemen naar Nederland is niet aannemelijk geworden. De verdachte heeft vervolgens de keus gemaakt om met [naam01] de Syrische grens over te steken en zich in IS gebied te begeven, terwijl zij wist dat IS een terroristische organisatie was en terwijl zij wist dat het daar oorlog was. Zij is willens en wetens naar Syrië gegaan om bij [naam02] en haar kleindochter te zijn. Zij heeft daarmee de keuze gemaakt om te gaan deelnemen aan een huishouden met een IS strijder. Daarmee heeft ze zich feitelijk aangesloten bij IS en het kalifaat getalsmatig versterkt.
4.1.2. Vast staat dat de verdachte in augustus 2014 met haar minderjarige zoon [naam01] naar Turkije is gereisd en vanuit daar het grondgebied van Syrië is binnen gereisd. Daar heeft zij verder verbleven bij haar dochter [naam02] en de man van [naam02] , [naam03] . De vraag is met welke intentie de verdachte is uitgereisd en of zij zich ook daadwerkelijk heeft aangesloten bij IS en als deelnemer van deze organisatie kan worden beschouwd.
Uit het dossier volgt niets over de feitelijke situatie voorafgaand aan het afreizen naar Turkije. De rechtbank acht het dan ook aannemelijk dat de verdachte daar naar toe ging om haar dochter te zien nu het dossier geen enkele aanwijzing bevat dat zij daarnaartoe is gereisd om zich aan te sluiten bij IS.
In Syrië heeft de verdachte weliswaar gewoond bij [naam02] en [naam03] , van wie [naam02] heeft verklaard dat hij strijder was bij onder meer IS, maar daarmee is nog niet gegeven dat sprake was van een gezamenlijke huishouding met deze [naam03] . Uit het dossier blijkt dat de verdachte in de periode in Syrië veelal ziek was en dat zij amper haar kamer af kwam. Van feitelijke gedragingen die gezien kunnen worden als het faciliteren van [naam03] dan wel het ondersteunen van hem of IS is niet gebleken. Dit maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden vastgesteld dat de verdachte heeft deelgenomen aan IS, dan wel dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan enige voorbereidings- dan wel bevorderingshandelingen.
4.1.3. De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden;
bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 9 (negen) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde:
de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
stelt als bijzondere voorwaarden:
de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als deze instelling dit nodig vindt, en zich houden aan de door of namens die instelling te geven voorschriften en aanwijzingen, waarbij de reclassering in gesprekken met de verdachte haar zwijgrecht en verschoningsrecht in acht zal nemen;
de veroordeelde zal zich voor behandeling van haar problematiek klinisch laten opnemen in een FPA of een soortgelijke zorginstelling, zij zal meewerken aan een (door)plaatsing binnen de aangewezen instelling en/of woonvoorziening en zal zich houden aan de aanwijzingen die door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling worden gegeven, zolang de (geneesheer-) directeur van die instelling in overleg met de reclassering dat nodig vindt, doch niet langer dan 2 jaar;
de veroordeelde zal zich (aansluitend aan de klinische behandeling) onder ambulante behandeling stellen bijvoorbeeld bij een (door de reclassering nader te bepalen) forensische polikliniek voor haar problematiek, zolang als de reclassering dat nodig acht;
de veroordeelde zal, indien de reclassering een overgang naar ambulante begeleiding/zorg bij zelfstandig wonen of wonen met begeleiding nodig acht door een door de reclassering nader te bepalen instantie, meewerken aan de indicatiestelling, de plaatsing daarvan en meewerken aan de betreffende begeleiding/ zorg;
de veroordeelde zal meewerken aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die voor wat betreft haar behandeling contact hebben met de verdachte, als dat van belang is voor het toezicht;
de veroordeelde zal meewerken aan en een actieve inspanning verrichten voor (een traject gericht op) het verkrijgen en het behouden van woonruimte, inkomen en dagbesteding;
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden
- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;
geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Feraaune, voorzitter,
en mrs. A. Boer en J.L.M. Boek, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I
Tekst nader omschreven tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1. zij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 3 februari
2022 in één of meer plaats(en) in Syrië,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie, te weten
Islamitische Staat (IS), danwel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of
Islamic State of Iraq and Levant (ISIL), althans (telkens) een aan IS
en Al Qaida gelieerde organisatie(s), althans (een) organisatie(s)
die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, welke organisatie(s) tot oogmerk
had(den) en/of heeft/hebben het plegen van terroristische misdrijven, te
weten,
A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan
gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor een ander en/of gevaar voor zwaar
lichamelijk letsel te duchten is en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en dit feit
iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (te)
begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 176a van het Wetboek van
Strafrecht) en/of
B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in
artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of
C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel
289 jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of
D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of
bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a
1en/of 289a en/of 96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of
E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens ën/of munitie van
de categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet
wapens en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met '
het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te
maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid ! en/of lid 5 van de Wet wapens en
munitie)
(artikel 140a Wetboek van Strafrecht)
2. zij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 1 april 2014 tot en met 3 februari 2022 in één of meer plaats(en) in Nederland en/of Syrië,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, telkens met
het oogmerk om ter voorbereiding en/of ter bevordering van de (meermalen) te plegen
misdrijven:
- het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl
daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor een ander en/of gevaar
voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is en/of levensgevaar voor een ander te duchten is
en dit feit iemands dood ten gevolge heeft, (te) begaan, met een terroristisch oogmerk (zoals
bedoeld in artikel 157 jo 176b van het Wetboek van Strafrecht) en/of
- doodslag (te) begaan met eèn terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in
artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en/of
- moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel
289 jo 83 van het Wetboek van Strafrecht)
- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen
plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe
gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of
- gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf
aan zichzelf of aan anderen heeft verschaft en/of
- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan zij wist dat zij bestemd
waren tot het plegen van het misdrijf
immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s)
Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
4.2. Bewijswaardering feit 3
4.2.1. Standpunt verdediging
Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde. Door de raadsvrouw is betoogd dat er geen sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet op het in hulpeloze toestand brengen en laten van [naam01] . Weliswaar kan er worden gesproken van een aanmerkelijke kans op het in hulpeloze toestand brengen van haar zoon, maar niet van het willens en wetens aanvaarden van deze kans nu de verdachte met haar verstandelijke beperking c.q. zwakbegaafdheid niet functioneert als een gemiddelde ouder. Van het in hulpeloze toestand laten dient de verdachte zonder meer te worden vrijgesproken nu haar was voorgespiegeld door haar schoonzoon dat ze het gebied snel weer kon verlaten, maar eenmaal daar kon ze niet meer weg ondanks pogingen daartoe.
4.2.2. Bewezen is het onder 3 ten laste gelegde.
4.3. Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
3. zij
in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 2 juni 2015 in Syrië,
meermalen, opzettelijk haar minderjarige kind genaamd
[naam01] , geboren op [geboortedatum02] 1998,
tot wiens verzorging zij als ouder van [naam01] krachtens de
wet verplicht was, in een hulpeloze toestand gebracht , immers heeft zij, verdachte,
terwijl zij wist dat [naam01] gedurende bovengenoemde periode (mede gelet op de
minderjarigheid) zichzelf niet kon beschermen en in een veilige situatie
kon brengen, ,
met die [naam01] gereisd naar Syrië en die [naam01]
meegenomen naar plaatsen en/of
gebieden waar gewapende conflicten aan de gang waren en oorlogsgeweld heerste
(daarbij) die [naam01] (telkens) blootgesteld aanoorlogsgeweld
ten gevolge waarvan die [naam01] op of omstreeks 2 juni 2015 te Syrië is overleden.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.
5. Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
opzettelijk iemand tot wiens verzorging zij krachtens de wet verplicht is, in een hulpeloze toestand brengen, terwijl dit feit de dood ten gevolge heeft gehad.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het feit is dus strafbaar.
6. Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
7.1. Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2. Feit waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft haar minderjarige kind in een hulpeloze toestand gebracht door met hem naar het strijdgebied in Syrië af te reizen. In plaats van hem veiligheid en geborgenheid te bieden, heeft de verdachte haar kind meegenomen naar een gebied waar sprake was van een gewapend conflict, als gevolg waarvan hij door oorlogsgeweld is komen te overlijden. De rechtbank neemt de verdachte dit zeer kwalijk.
7.3. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1. Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 februari 2023, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.3.2. Rapportages
De rechtbank heeft acht geslagen op de inhoud van het over de verdachte uitgebrachte Pro Justitiarapport van psychiater [naam04] , klinisch psycholoog [naam05] , en forensisch milieuonderzoeker [naam06] , gedateerd 22 juli 2022. De rapporteurs komen tot de conclusie dat verdachte lijdende is aan een ernstig psychiatrisch toestandsbeeld. Er is sprake van een posttraumatische stressstoornis, een somatische symptoomstoornis, een depressieve stoornis en een paniekstoornis. Tevens is er sprake van zwakbegaafdheid. Gesteld kan worden dat zij voornoemde klachten reeds vanaf 2006 had, dus ook ten tijde van het ten laste gelegde, al is niet duidelijk geworden hoe ernstig de klachten op dat moment waren. Omdat zij een ontkennende verdachte is kan niet worden bepaald of aspecten van de stoornissen van invloed zijn geweest op de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde. Er kan dan ook geen advies gegeven worden over toerekenen.
Geadviseerd wordt geen gedwongen behandeling op te leggen in een strafrechtelijk kader. Uit zorgoogpunt is wel een behandel- en woonondersteuningsadvies gegeven.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies gedateerd 27 februari 2023, van Reclassering Nederland. Verdachte is beïnvloedbaar en kwetsbaar doordat zij een onachtzame, niet-assertieve en meegaande houding heeft, mede als gevolg van haar zwakke gezondheidstoestand en zeer beperkt kennisniveau. Dit is voor de reclassering een punt van zorg. De copingvaardigheden van verdachte lijken ten grondslag te liggen aan het delict. Hier spreekt haar zwakzinnigheid een grote rol alsook een belast verleden. Ze kan oorzaak en gevolg niet goed overzien, probeert alle problemen bij zich te houden en op te lossen.
De door het NIFP geadviseerde klinische behandeling is inmiddels opgestart. Gezien de klachten van verdachte zal er sprake zijn van een langdurig en intensief traject. Voortzetting van het huidige traject is geïndiceerd. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. Ondanks de lage kans op recidive en gevaar acht de reclassering voortzetting van de behandeling binnen een gedwongen kader noodzakelijk. Geadviseerd wordt bij bewezenverklaring, en in het geval een voorwaardelijk strafdeel wordt overwogen, om de bijzondere voorwaarden die eerder werden vastgelegd in de beslissing tot schorsing van de voorlopige hechtenis van 29 sept 2022, te continueren. Voorts wordt geadviseerd om de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren om het huidige behandeltraject te kunnen continueren.
7.4. Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Nu de conclusies van de psychiater en psycholoog gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Voorts heeft de rechtbank meegewogen dat de verdachte een levenslange last met zich mee moet dragen door de wetenschap dat haar zoon is komen te overlijden als gevolg van haar beslissing. Een gevolg dat zij uiteraard nooit heeft gewild.
Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de op te leggen bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren nu niet is gebleken dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan foor de officier van justitie gevorderd nu zij komt tot vrijspraak van feit 1 en 2.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 255 en 257 van het Wetboek van Strafrecht.
9. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.