Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-03-19
ECLI:NL:RBROT:2026:4391
RECHTBANK Rotterdam Team Insolventie Zittingsplaats Rotterdam Verzet gegrond, toepassing schuldsaneringsregeling Rekest- en insolventienummer: [nummer 1] & [nummer 2] Vonnis van 19 maart 2026 op het verzoek van [persoon A] , wonende te [adres] , [postcode] te [woonplaats] . Waar deze zaak over gaat Mevrouw [persoon A] is bij vonnis van 10 februari 2026 door de rechtbank Rotterdam failliet verklaard. Zij heeft daartegen verzet ingesteld. Mevrouw [persoon A] heeft daarnaast ook een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). De rechtbank vernietigt het vonnis van 10 februari 2026 en wijst het verzoek om te worden toegelaten tot de Wsnp toe. De rechtbank ziet geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist. 1 De procedure 1.1. Mevrouw [persoon A] is op 10 februari 2026 door de rechtbank Rotterdam failliet verklaard, met benoeming van mr. M. Aukema tot rechter-commissaris en met aanstelling van mr. M.P.J. van der Linden als curator. 1.2. Op 23 februari 2026 heeft mevrouw [persoon A] een verzoekschrift ingediend strekkende tot vernietiging van het vonnis van deze rechtbank van 10 februari 2026 (de verzetprocedure). Mevrouw [persoon A] heeft bij dat verzoekschrift ook een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp. 1.3. De rechtbank heeft bij bericht van 27 februari 2026 aan de aanvrager van het faillissement, de curator en mevrouw [persoon A] en haar advocaat medegedeeld dat de behandeling van het verzetschrift wordt aangehouden totdat op het Wsnp-verzoek is beslist. 1.4. De rechtbank heeft de behandeling van het Wsnp-verzoek bepaald op 13 maart 2026. 1.5. Het Wsnp-verzoek is behandeld op de zitting van 13 maart 2026. Op de zitting zijn verschenen: - mevrouw [persoon A] , - de heer mr. A. Karacelik, advocaat van mevrouw [persoon A] . 1.6. De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op 19 maart 2026. 2 De beoordeling Ontvankelijkheid 2.1. Om toegelaten te worden tot de Wsnp, moet mevrouw [persoon A] in beginsel eerst een poging hebben gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Dit vereiste vervalt als aannemelijk is dat het niet mogelijk is om tot een dergelijke regeling te komen. 2.2. Uit het verzoekschrift blijkt dat namens mevrouw [persoon A] geen aanbod is gedaan aan de schuldeisers. In plaats daarvan is direct een Wsnp-verzoek ingediend. Mevrouw [persoon A] is al failliet verklaard. Hierdoor was er geen ruimte om een buitengerechtelijke regeling op te starten, aldus de advocaat van mevrouw [persoon A] . Daarnaast is gepoogd om met de aanvrager van het faillissement tot een (betalings-)regeling te komen. Zij gingen echter niet akkoord met het voorstel, omdat zij hun gehele vordering voldaan willen zien. 2.3. Gelet op de faillissementssituatie van mevrouw [persoon A] en de aanvrager van het faillissement niet bereid blijkt om in te stemmen met een betalingsregeling, wat ook de insteek van een minnelijk traject zal zijn, is het in deze specifieke situatie voldoende aannemelijk dat niet tot een buitengerechtelijke schuldregeling kan worden gekomen. Mevrouw [persoon A] is daarom ontvankelijk in haar verzoek. De toelating 2.4. Mevrouw [persoon A] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat mevrouw [persoon A] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen. 2.5. De schulden aan het CJIB en de Belastingdienst, die binnen de drie-jaarstermijn vallen, zijn niet te goeder trouw ontstaan. De schuld aan het CJIB bestaat uit diverse verkeersboetes. Ter zitting heeft mevrouw [persoon A] verklaard dat het om parkeerboetes gaat. De schuld aan de Belastingdienst ziet in het bijzonder op inkomstenbelasting en omzetbelasting. Deze schulden staan in beginsel in de weg aan toewijzing van het Wsnp-verzoek. 2.6. In dit geval wordt mevrouw [persoon A] toch toegelaten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. Gebleken is dat mevrouw [persoon A] de omstandigheden die hebben geleid tot het laten ontstaan en/of onbetaald laten van deze schulden onder controle heeft gekregen. De aangifte voor de inkomstenbelasting over de jaren 2022, 2023 en 2024 is inmiddels gedaan. Daarnaast heeft mevrouw [persoon A] ter zitting verklaard geen boetes meer te zullen maken. Zij wil graag van haar schulden af en heeft ter zitting blijk gegeven van een saneringsgezinde houding. 2.7. Verder is met mevrouw [persoon A] in het bijzonder gesproken over het feit dat zij op dit moment nog een eenmanszaak voert. Mevrouw [persoon A] verricht namelijk werkzaamheden als zzp’er. Zij heeft uit die eenmanszaak inkomsten ter hoogte van ongeveer € 7.000,- (bruto) per maand. In dat kader is besproken dat de te benoemen bewindvoerder zal beoordelen of voortzetting van de onderneming mogelijk is. Dat verzoek zal vervolgens ook moeten worden voorgelegd aan de te benoemen rechter-commissaris. De rechtbank merkt daarbij op dat een schuldenaar binnen de Wsnp – onder meer – een inspanningsverplichting heeft. Als uitgangspunt geldt daarbij dat iemand fulltime (36 uur) in loondienst werkt. 2.8. Voorts is ter zitting met mevrouw [persoon A] gesproken over de lease-auto, waar zij gebruik van maakt. Ook in dit kader is besproken dat de te benoemen bewindvoerder zal beoordelen of de (lease)auto binnen de Wsnp behouden mag worden. De bewindvoerder zal daarbij bijvoorbeeld beoordelen of het behoud van de (lease)auto noodzakelijk is (bijvoorbeeld in het kader van werk). Ook zal de bewindvoerder kijken naar de waarde en/of kosten van de (lease)auto. Daarbij wordt bezien of er goedkopere opties zijn. 2.9. Mevrouw [persoon A] heeft ter zitting aangegeven voornoemde punten te begrijpen. Bovendien heeft zij ter zitting te kennen gegeven bezig te zijn met de aanvraag van budgetbeheer. Zij heeft daarmee positieve ontwikkelingen in gang gezet. Het is daarom voldoende aannemelijk dat mevrouw [persoon A] binnen de WSNP aan haar verplichtingen zal voldoen. 2.10. Mevrouw [persoon A] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp. Bevoegdheid 2.11. De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van mevrouw [persoon A] in Nederland ligt. Duur 2.12. De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: materiële looptijd) vast op 18 maanden. De ingangsdatum 2.13. De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan. 2.14. Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltimebaan. 2.15. Mevrouw [persoon A] heeft niet verzocht om een eerdere ingangsdatum, terwijl ook overigens op basis van de ingediende stukken en dat wat op de zitting is besproken niet kan worden vastgesteld dat aan de vereiste verplichtingen is voldaan. 3 De (controle van) verplichtingen in de Wsnp 3.1. De verplichtingen waaraan mevrouw [persoon A] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen). 3.2 Er wordt een bewindvoerder benoemd.