Rechtspraak Rechtbank 's-Gravenhage 2000-08-11
ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8834
Bestuursrecht
Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage zittinghoudende te 's-Hertogenbosch Sector Bestuursrecht -------------------------------- Uitspraak -------------------------------- AWB 00/5640 S1813 Uitspraak van de president op het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 33a van de Vreemdelingenwet (Vw) in het geschil tussen: 1. A, 2. B, 3. C, 4. D, en 5. E, allen verblijvende te India, hierna te noemen: verzoekers, gemachtigde mr. J.M.M. Verstrepen, advocaat te Oosterhout en de Minister van Buitenlandse Zaken te 's-Gravenhage, verweerder. I. PROCESVERLOOP Verzoekers bezitten de Indiase nationaliteit en zijn vreemdeling in de zin van de Vw. Op 17 respectievelijk 30 mei 2000 heeft de gemachtigde van verzoekers, verder te noemen referent, namens verzoekers verzocht om afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als uiteindelijke doel het verrichten van arbeid in loondienst bij DSQ Nederland BV. Op 3 juli 2000 heeft de korpschef van de regio Noord-Brabant-Noord en op 6 juli 2000 heeft de korpschef van de Regiopolitie Utrecht een positief advies uitgebracht omtrent de afgifte van een mvv aan verzoekers. Daarbij is referent erop attent gemaakt dat alsnog kan worden afgezien van afgifte van een mvv indien nadien nader bekend geworden feiten en omstandigheden dit in de weg staan. Op grond van deze adviezen heeft verweerder de Nederlandse vertegenwoordiging in Mumbay (India) bericht dat er geen bezwaar bestaat tegen de afgifte van de mvv's. Tegen het - naar verzoekers stellen - niet tijdig nemen van een besluit is namens verzoekers op 21 juli 2000 bezwaar gemaakt bij verweerder. Bij verzoekschrift van diezelfde datum hebben verzoekers de president verzocht een onverwijlde voorziening te treffen. Het verzoek is behandeld ter zitting van 27 juli 2000, waar verzoekers zich hebben laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, tevens referent. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde drs. J. de Boer, medewerker bij de Afdeling bestuursrecht van de Dienst Juridische Zaken te 's-Gravenhage. II. OVERWEGINGEN Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op een verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voorzover de beslissing op het verzoek meebrengt dat een oordeel wordt gegeven in de bodemprocedure, draagt het oordeel een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure. Ingevolge artikel 33d van de Vw worden beschikkingen omtrent de afgifte van visa of mvv's gegeven krachtens het Souverein Besluit van 12 december 1813 (Stcrt. 1814,4), voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep gelijkgesteld met beschikkingen aangaande de toelating, gegeven op grond van de Vw. Krachtens artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb, wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit gelijkgesteld. Op 21 juli 2000 is namens verzoekers bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op hun aanvraag om afgifte van een mvv. Verzoekers leggen aan het onderhavige verzoek ten grondslag dat zij, nu is voldaan aan alle voorwaarden, in aanmerking komen voor afgifte van een mvv. Doordat de Nederlandse Consul in India, ondanks het positieve advies van de korpschef omtrent de afgifte van de mvv's, thans weigert aan verzoekers een mvv te verstrekken en eerst nog de gegevens in de paspoorten van verzoekers wil controleren aan de hand van gelegaliseerde geboorteakten, dreigt een enorme vertraging te ontstaan in de afgifte van de mvv's. Met deze verificatie is namelijk doorgaans een tijdsperiode van enkele maanden gemoeid, terwijl voor dit verificatievereiste geen wettelijke grondslag aanwezig is. Het spoedeisend belang tot het treffen van een voorlopige voorziening is gelegen in het feit dat het bedrijf DSQ Nederland BV, waar verzoekers na hun komst naar Nederland als ICT-ers werkzaam zullen zijn, hierdoor een financiële schade lijdt van ongeveer f 70.000,-- per maand. Voor zover verificatie noodzakelijk zou zijn, zou deze ook achteraf in Nederland kunnen plaatsvinden. Blijkens het verhandelde ter zitting stelt verweerder zich primair op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen nu er in de onderhavige procedure door verzoekers nog helemaal geen aanvraag voor een mvv is gedaan bij de consulaire vertegenwoordiging te Mumbay, zodat er geen (fictief) bezwaar gemaakt kon worden tegen de weigering tot afgifte. Allereerst stelt de president vast dat in het verzoekschrift van 21 juli 2000 waarbij verzocht is om een voorlopige voorziening te treffen, een petitum ontbreekt. Blijkens hetgeen namens verzoekers desgevraagd ter zitting naar voren is gebracht, in samenhang bezien met hetgeen in het bezwaarschrift van 21 juli 2000 is gesteld, begrijpt de president dat het verzoek ertoe strekt in het kader van deze voorlopige voorziening de Nederlandse Consul in Mumbay op te dragen om onverwijld tot afgifte van de verzochte mvv's over te gaan. Naar het oordeel van de president is een dergelijk verzoek naar zijn aard bij wege van een voorlopige voorziening ten enen male niet toewijsbaar. Gezien het gestelde belang van verzoekers bij toegang tot Nederland alsmede de voorliggende rechtsvraag zal de president desondanks ambtshalve toetsen of een voorlopige voorziening met een minder verstrekkend petitum, inhoudende dat verzoekers worden behandeld als waren zij in het bezit gesteld van een mvv, voor toewijzing in aanmerking kan komen. Dienaangaande overweegt de president als volgt. Gezien het primaire verweer van verweerder dient thans allereerst te worden vastgesteld of, zoals verzoekers stellen, reeds een aanvraag zou zijn gedaan waarop door verweerder niet tijdig is beslist. Ingevolge artikel 16a, eerste lid, van de Vw wordt een aanvraag om toelating slechts in behandeling genomen, indien de vreemdeling beschikt over een geldige mvv, welke hij heeft aangevraagd bij en welke hem verstrekt is door de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging of consulaire vertegenwoordiging in het land van herkomst of het land van zijn bestendig verblijf. Voorts voert verweerder een beleid, neergelegd in hoofdstuk A4/5.6 en hoofdstuk A4/5.8 van de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc) waarbij de mvv-procedure reeds hier te lande kan worden opgestart via een zogeheten referentenprocedure of een verkorte mvv-procedure. Dit beleid strekt er kennelijk toe op efficiënte wijze en op relatief korte termijn duidelijkheid te verkrijgen of is voldaan aan de voorwaarden voor afgifte van een mvv. Voornoemde procedures laten evenwel onverlet, gelet ook op de totstandkomings- geschiedenis van artikel 16a van de Vw en TBV 1998/28, dat de vreemdeling de mvv zelf daadwerkelijk dient aan te vragen bij de Nederlandse ambassade of consulaire vertegenwoordiging in het land van herkomst.