Rechtspraak Rechtbank 's-Gravenhage 2002-01-25
ECLI:NL:RBSGR:2002:AD9807
Bestuursrecht
Rechtbank te 's-Gravenhage zittinghoudende te Amsterdam enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken Uitspraak artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) reg. nr.: AWB 01/25487 MVV inzake: A, geboren op [...] 1959, van Surinaamse nationaliteit, wonende te Paramaribo, Suriname, eiser, gemachtigde: mr. C.A. Willemsen-de Vries, advocaat te Alphen aan den Rijn, tegen: de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder, gemachtigde: mr. N.B. de Neef, juridisch medewerker bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn, advocaten en notarissen te 's-Gravenhage. I. PROCESVERLOOP 1. Bij besluit van 22 mei 2001 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit tot niet-inwilliging van zijn verzoek om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ongegrond verklaard. 2. Bij beroepschrift van 15 juni 2001, aangevuld bij brief van 13 juli 2001, heeft gemachtigde van eiser namens eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. In zijn verweerschrift van 28 september 2001 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. 3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2002. Eiser is aldaar vertegen-woordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig Helga Joyce Fränkel, partner van eiser. II. FEITEN In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende, vaststaande dan wel niet betwiste, feiten. Op 21 augustus 2000 heeft B (hierna: referente), namens eiser een mvv aangevraagd in het kader van de zogenaamde referentenprocedure. Eiser beoogt verblijf bij referente. Referente heeft de Nederlandse nationaliteit. III. STANDPUNTEN PARTIJEN 1. Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde mvv. Eiser komt niet in aanmerking voor verblijf bij zijn Nederlandse partner B, omdat niet is gebleken dat zij een duurzame en exclusieve relatie hebben in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw.) Van een dergelijke relatie is sprake indien zij in voldoende mate met een huwelijk op één lijn is te stellen. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat de relatie naast duurzaam en exclusief tevens als affectief moet kunnen worden aangemerkt. Het is aan de partners om aannemelijk te maken dat van een dergelijke relatie sprake is. In casu zijn eiser en zijn partner daarin niet geslaagd, omdat noch bij de indiening van de aanvraag, noch nadien stukken zijn overgelegd waaruit het bestaan van zo'n relatie blijkt. De verklaringen van eiser en zijn partner hieromtrent onvoldoende, omdat zij niet met relevante bewijzen zijn onderbouwd. Verweerder ziet niet in waarom eiser zijn stelling dat hij met zijn partner heeft samengewoond niet heeft kunnen onderbouwen met objectieve stukken, zoals bijvoorbeeld verzekeringspapieren, bankafschriften en dergelijke. Niet is gebleken van dermate bijzondere feiten of omstandigheden dat van het beleid, op de voet van artikel 4:84 van de Awb, dient te worden afgeweken. Van een schending van het recht op gezinsleven van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geen sprake, omdat tussen eiser en zijn partner geen sprake is van gezinsleven in de zin van dat artikel. Eiser en zijn partner zijn in de bezwaarfase niet gehoord, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is. 2. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder de gevraagde mvv ten onrechte heeft geweigerd. Hij en zijn partner hebben wel degelijk een relatie in de zin van de Vw. Eiser heeft vrijwel dagelijks telefonisch contact met zijn partner. Dit gebeurt via telefoonkaarten, omdat dit goedkoper is dan via de PTT. Schrijven doen de partners niet vaak. Van januari 1999 tot aan het vertrek van eiser naar Suriname in augustus 2000 hebben eiser en zijn partner samengewoond in C. Eiser kon zich niet op het adres van zijn partner inschrijven, omdat hij illegaal was. Uit het voorgaande volgt dat het onmogelijk is om de bewijsstukken te leveren waar verweerder om vraagt. Er zijn onvoldoende aanwijzingen om aan te nemen dat het hier gaat om een schijnrelatie. Eiser en zijn partner zijn in de bezwaarfase ten onrechte niet gehoord. 3. Ter zitting is namens eiser nog het volgende aangevoerd. Recent heeft eiser een brief, een verjaardags- en een kerstkaart aan zijn partner gestuurd. Dit zijn de enige bewijsstukken die er zijn. De samenwoning is niet aan te tonen, want eiser was illegaal. Om die reden is ook geen samenlevingsovereenkomst opgesteld. 4. Verweerder heeft ter zitting zijn standpunt gehandhaafd en het volgende toegevoegd. In het beleid is niet geregeld dat moet worden aangetoond dat een relatie affectief is. Wel moet worden aangetoond dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie. Er mag geen sprake zijn van een relatie die alleen wordt aangegaan met het doel een verblijfsvergunning te verkrijgen. In de vragenlijst die naar aanleiding van de aanvraag moet worden ingevuld wordt ten onrechte gevraagd naar bewijzen voor het affectieve karakter van de relatie. Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat hem slechts één uitspraak bekend is waarin de rechtbank overweegt dat een redelijke uitleg van het partnerbeleid inhoudt dat sprake moet zijn van een relatie die uitstijgt boven een louter vriendschappelijke band (Rb. 's-Gravenhage, 24 mei 2001, AWB 00/66375, JV 2001/220). IV. OVERWEGINGEN 1. Het bestreden besluit is een besluit omtrent de afgifte van een visum. Dit besluit is genomen op basis van het Souverein Besluit van 12 december 1813. Op grond van artikel 72, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een dergelijk besluit voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, gelijkgesteld met een besluit gegeven krachtens de Vw 2000. Deze rechtbank is derhalve bevoegd. 2. Een aanvraag tot het verlenen van een mvv wordt getoetst aan dezelfde criteria als een aanvraag om een vergunning tot verblijf. Blijkens artikel 13 van de Vw 2000 geldt daarbij als uitgangspunt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts wordt ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen. 3. In geschil is de vraag of verweerder eiser terecht heeft tegengeworpen dat hij niet heeft aangetoond dat hij een duurzame en exclusieve relatie heeft in de zin van de Vw 2000. 4. Artikel 3.14, aanhef onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) bepaalt, voorzover hier van belang, dat een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming wordt verleend aan de vreemdeling van achttien jaar of ouder die met de hoofdpersoon een duurzame en exclusieve relatie onderhoudt. 5. In hoofdstuk B2/4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is het begrip "duurzame en exclusieve relatie" nader uitgewerkt. Voorzover hier van belang is daarin bepaald dat van een duurzame en exclusieve relatie sprake is indien de relatie in voldoende mate met een huwelijk op één lijn is te stellen. Het bestaan van een duurzame en exclusieve relatie kan worden aangetoond door de ondertekening door beide partners van een relatieverklaring (model M42). Door de ondertekening van die schriftelijke verklaring verklaren de vreemdeling en de hoofdpersoon feitelijk samen te (gaan) wonen en een duurzame en exclusieve relatie te onderhouden. Deze verklaring vormt geen onweerlegbaar bewijs. Indien aannemelijk is dat sprake is van een schijnrelatie wordt de aanvraag, ongeacht de ondertekening van de relatieverklaring, afgewezen. 6.