Rechtspraak Rechtbank 's-Gravenhage 2003-01-22
ECLI:NL:RBSGR:2003:AF5175
Bestuursrecht
Rechtbank 's-Gravenhage sector bestuursrecht vreemdelingenkamer, enkelvoudig UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht Reg.nr : AWB 02/40295 VRWET Inzake : A, eiser, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. M.B. van den Toorn-Volkers, advocaat te Made, tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr.S.A. Ganpat, ambtenaar ten departemente. I. PROCESVERLOOP 1. Eiser heeft gesteld dat hij is geboren op [...] 1983 en dat hij de Myanmarese nationaliteit bezit. Hij verblijft sedert 29 september 2000 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in Nederland. Op 9 oktober 2000 heeft hij een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Ingevolge artikel 117 Vw2000 is deze aanvraag aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000. Verweerder heeft op 13 maart 2002 eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Eiser heeft geen zienswijze op deze mededeling naar voren gebracht. Bij besluit van 26 april 2002 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. 2. Bij schrijven van 24 mei 2002 heeft eiser tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. 3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. 4. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 17 december 2002. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.E.J.M. van den Toorn, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. II. OVERWEGINGEN 1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in het licht van de daartegen aangedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. 2. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag -voor zover van belang en samengevat- aangevoerd dat hij behoort tot de Rohingya bevolkingsgroep, welke bevolkingsgroep in Myanmar ernstig wordt gediscrimineerd. Zijn vader en broer zijn op 15 juli 2000 door een speciale legereenheid vermoord en zijn zuster is door deze mannen meegenomen. Dit was voor eiser en zijn moeder aanleiding om enige tijd later naar Bangladesh vluchten. Vanuit Bangladesh, waar hij circa zes dagen in een vluchtelingenkamp verbleef, is eiser met behulp van een tweetal reisagenten via Moskou naar Nederland gereisd. 3. Verweerder heeft met verwijzing naar het bepaalde in het eerste lid van artikel 31, Vw 2000, in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, onder f, van dat artikel, de aanvraag afgewezen omdat aan de verklaringen van eiser geen geloof werd gehecht nu eiser niet over documenten beschikt en vage en onjuiste verklaringen over Myanmar heeft afgelegd. Voorts heeft verweerder hierbij verwezen naar een onder ambtseed opgemaakt proces-verbaal van de Politie Midden en West Brabant van 11 april 2001, waaruit naar voren komt dat een anonieme informant verklaard heeft dat eiser tegen anderen in het asielzoekers centrum verklaard heeft bij zijn aanvraag in strijd met de waarheid te hebben aangegeven tot de Rohingya bevolkingsgroep te behoren, teneinde zijn kans om toegelaten te worden te vergroten. 4. In beroep heeft eiser gesteld dat hij wel tot de Rohingya behoort en de taal spreekt. Hij heeft aangevoerd dat hij geconfronteerd had dienen te worden met de vermeende onjuistheden. Voorts stelt hij dat verweerder tot zijn oordeel is gekomen op basis van anonieme verklaringen en dat verweerder aan dergelijke verklaringen van derden geen betekenis mag doen toekomen. Tevens meent eiser dat een taalanalyse had moeten plaatsvinden en dat hij had moeten worden gehoord. 5. Ingevolge artikel 29, eerste lid, onder a, b, en c, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling: a. die verdragsvluchteling is; b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst. Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. In artikel 31, tweede lid, onder f Vw2000 is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen. Ingevolge het Vluchtelingenverdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat de betrokkene, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en hij de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen. 6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de informatie die is neergelegd in het proces-verbaal van 11 april 2001 niet aan zijn oordeel dat eisers relaas ongeloofwaardig is ten grondslag had mogen leggen, nu het gaat om verklaringen van een informant aan wie anonimiteit is toegezegd. Zonder dat de identiteit van de informant bekend wordt kan niet worden onderzocht of de informant de waarheid spreekt en wat zijn beweegredenen waren om deze informatie aan de politie door te geven. De enkele verklaring in het proces-verbaal dat de aan de verbalisant bekende achtergrond van de informant in samenhang met de door deze aangedragen gegevens, de verbalisant tot de conclusie hebben gebracht dat de informatie als waarschijnlijk kan worden aangemerkt, acht de rechtbank in dit verband onvoldoende. Hierbij is van belang dat uit het proces-verbaal niet duidelijk wordt van wie en onder welke omstandigheden de informant gehoord heeft dat eiser verklaard heeft niet uit Myanmar afkomstig te zijn. Verweerder heeft het niet overleggen van reisdocumenten aan eiser mogen toerekenen, doch voor wat betreft het ontbreken van identiteitsdocumenten overweegt de rechtbank dat het gezien de leeftijd van eiser niet onaannemelijk is dat hij nimmer een paspoort of identiteitskaart heeft bezeten. Eiser heeft bovendien een document overgelegd waarop door een Koranschool verklaard wordt dat A in 1990 en 1991 aan deze school onderwijs zou hebben gevolgd. Weliswaar kan aan de hand van deze brief niet de identiteit of nationaliteit van eiser worden vastgesteld, doch deze kan wel worden aangemerkt als een ondersteuning van zijn stellingen. Voorts heeft verweerder zich voor zijn oordeel dat het relaas ongeloofwaardig is, gebaseerd op vage en deels onjuiste informatie over Myanmar, die eiser zou hebben verstrekt in antwoord op vragen betreffende in 1987 ingevoerde bankbiljetten, de belangrijkste bevolkingsgroep, de aanvang van het warme seizoen, de officiële naam van Myanmar en de geschiedenis van de Rohingya's. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan de door eiser op de vragen gegeven antwoorden een te zwaar gewicht heeft toegekend.